Einde Dienst (1)

Het is snel gegaan met het afschaffen van de dienstplicht. Zo oud zijn de beelden niet van de harde acties tegen de groetplicht, het eerste lange haar onder de pet uit, de VVDM die de wedde tot in de buurt van het minimum loon wist te krijgen. En nu zegt een meerderheid in de Tweede Kamer: het hoeft niet meer, doe ons maar een beroepsleger.

Heimwee is niet het goede woord. Maar toch wordt iedereen het een beetje erg snel met elkaar eens over het einde van de dienstplicht. Ook ik had iets anders met mijn tijd willen doen. Als alternatief voor balen op de hei mocht ik hulpje worden van een belangrijke stuurgroep die de "vermaatschappelijking van de krijgsmacht' zou gaan onderzoeken, misschien wel bevorderen. Dat was in het begin van de jaren zeventig een probleem waar een generaal op werd gezet.

Toen ik uiteindelijk over een pet en puntschoenen beschikte, was de politieke wind vijf graden gedraaid. Het was niet meer actueel. Ik kon toch ergens secretaris worden, van de Stuurgroep Verbetering Eetgewoonten Militairen. Prins Bernhard had zich bezorgd uitgesproken over de vet-inname van de diensplichtige. Actie was geboden.

Nu het Warschaupact is ontbonden voel ik me eindelijk vrij enige van de dramatische bevindingen van toen te openbaren. Uitgebreid onderzoek in de Nederlandse kantines te velde ging daar aan vooraf. De prins, wiens ideeën over de vergader-frequentie van het parlement nu pas begrepen beginnen te worden, had in de "koeken-kwestie' het gelijk aantoonbaar aan zijn zijde.

In de maand november 1971 consumeerde een gemiddelde dienstplichtige in de J.W. Friso-kazerne te Assen tussen de maaltijden: negen kroketten, tien frikandellen, vier zakken patat, twee gehaktballen, één leverworst, één loempia, twaalf belegde broodjes, zes gebakjes, één slaatje, zeven harde eieren en vijftien ijsjes.

De afschaffing van het reveille (het einde van het verplicht ontbijten) had geen noemenswaardige invloed op het gebruik van "tussendoortjes'. Dat onderzochten we allemaal.

Op landelijke schaal haalde de kantinedienst van de krijgsmacht in 1972 een omzet van vier miljoen belegde broodjes, 3,7 miljoen porties gebak (droog) - gebak (nat) deed maar 340.000 -, met als runners up: de frikandel (2,5 miljoen) en de kroket (2,3 miljoen). De gemiddelde soldaat nuttigde in dat jaar 62,5 frikandel.

Ik at er nooit een, dus er was ook iemand die er dat jaar 125 naar binnen werkte. In de militaire kantine, wel te verstaan, want de frituur-omzet buiten de poort kon niet worden gemeten. Ik wil maar zeggen: de krijgsmacht is altijd een roeping geweest voor jongelui met pit en de durf om er op uit te trekken. Een bron van ervaring voor later.

Dat verdwijnt straks allemaal. De defensiespecialisten in de Tweede Kamer zien het klimaat definitief omslaan. Een enquête van de VVDM en de Stichting Maatschappij & Krijgsmacht zei in september: nog maar 35 procent van de bevolking is voorstander van de militaire dienstplicht, tegen 50 procent voor een vrijwilligersleger. In 1989 was nog 49 procent vóór de dienst, en 36 vóór een beroepsleger.

De Val van de Muur heeft het idee van een leger voor en door het volk verpletterd. Bij Defensie is men niet erg geschrokken. In zekere zin komt de omslag zelfs wel goed uit. De krijgsmacht van morgen wil een flexibel instituut zijn, uitgerust met high-tech apparatuur. Daar laat je geen jonge militairen met een paar maanden instructie aan zitten, jongens die binnen een jaar weer vertrokken zijn.

Tot nu toe was de militaire dienstplicht vooral een landmachtplicht. Bij marine en luchtmacht gaat het volgend jaar nog maar om 1450, respectievelijk 2850 niet-beroeps. De landmacht heeft er in 1992 nog steeds 34.575 nodig. En hoe meer de krijgsmacht krimpt, des te sterker zal juist de klassieke landmacht door die operatie worden getroffen. Het dienstplicht-leger in tank en tijgersluipgang raakt uit de tijd. De landmacht denkt aan luchtmobiele eenheden voor snelle, gespecialiseerde acties. Daar kan je geen grootverbruikers van nassi-schijven en halve rookworsten bij gebruiken.

Defensie-deskundigen die nog wat verder naar de toekomst kijken, zien veel meer onzekerheden opdoemen. Wat voor soort naties of staten zijn er te zijner tijd? Wie zal wat willen beschermen? In een door enorme computer-netwerken verbonden samenleving zal de vijand er totaal anders uitzien. Welke vorm zal geweld straks aannemen? Zullen de nomaden van de toekomst, waar ons deel van de wereld zich tegen wil beschermen, ons bestoken met MS-Dos-virussen of (nog zwaarder) vergiftigd Rijnwater?

De conclusie lijkt duidelijk. De taak van de Verdediging zal hoe dan ook te technisch zijn voor passerende militairen, die onvrijwillig een deel van hun jonge volwassenheid opgeven voor een vaag doel.

Of zal blijven gelden wat al eeuwen hèt motief voor een leger met dienstplichtigen is geweest: het beschikken over een jong potentieel uit de bevolking, dat beter gemotiveerd is dan de vechters om den brode?

De redenering is: als het oorlog is, weet een dienstplichtige heel goed waar hij voor vecht. Dan representeert hij de wil van een volk om zelfstandig te blijven. Als het vrede is, vertegenwoordigt die zelfde dienstplichtige de herinnering aan de vorige oorlog, en de voortgezette wil van dat volk ook de volgende te winnen. De maatschappelijke inbedding heet dat.

Het is gek dat die argumenten in een paar jaar tijds verdampt zijn. Want de wereld blijft chaotisch genoeg. Joegoslavië en de waarschuwingen van Gorbatsjov over een naderend pandemonium in het Oosten zijn betrekkelijk concrete invitaties om meer dan een enkele man op wacht te laten staan. Nog afgezien van het aantal vreedzame noden in binnen- en buitenland dat om handen en hoofden schreeuwt.

Het recente onderzoek naar de mening van het Nederlandse volk over dienstplicht had nog een ander verrassend resultaat. Gevraagd naar "een algemene dienstplicht voor jongens en meisjes waarbij gekozen kan worden tussen een jaar werken in bijvoorbeeld de gezondheidszorg of een jaar dienst doen in het leger', antwoordde 64 procent van de bevolking dat een "goed idee' te vinden; 22 procent vond het een slecht idee.

Wie voor "gezondheidszorg' leest: ontwikkelingshulp, milieu-opruiming, bejaardenzorg, beseft de reikwijdte van de gedachte. Een idee dat aanzienlijk meer steun heeft dan de afschaffing van de militaire dienstplicht. De weigeryups kunnen hun tropen-bloesje vast klaarleggen: Pronk's Army heeft hen nodig.