De Westeuropese zelf-fixatie

De namen van geschiedfilosofen als Gibbon, Toynbee en Spengler doemen bij tijd en wijle als spookverschijningen op in beschouwingen over hedendaagse politieke ontwikkelingen, meestal voorzien van meewarige epitheta, zoals "ondergangsdenkers', "stoffige achterhaalde studeerkamergeleerden', en dergelijke. Maar de vraag rijst dan of diegenen die zich aan deze makkelijke kritiek wagen, zich wel verdiept hebben in de monumentale standaardwerken van deze auteurs en weten waar ze over praten. Prof. P. Geyl lijkt in zijn Debatten met historici een poging te hebben willen ondernemen met het "beschavingskringloopconcept' van deze denkers af te rekenen. Maar hij heeft slechts een beperkt onderdeel van dit concept willen aanvechten, namelijk de gedachte dat de opkomst van elk der achttien of zoveel beschavingen die Toynbee behandelt,is toe te schrijven aan de werking van het uitdaging-en-reactiebeginsel. Dit concept houdt in dat beschavingen tot bloei zouden zijn gekomen in tijdperken waarin volkeren bijzondere vindingrijkheid en doorzettingsvermogen moesten opbrengen om het hoofd te bieden aan een langdurige uitdaging van hun leefklimaat of leefomgeving. Geyl bouwt zijn tegenargumentatie uitsluitend op het voorbeeld van de Amerikaanse beschaving.

Ik zou de critici van dit concept willen uitnodigen Decline and Fall of the Roman Empire van Gibbon en A study of history van Toynbee nog eens ter hand te nemen om te ervaren dat een aantal van de daarin beschreven scenario's uit de geschiedenis van grote beschavingen, zich in deze tijd lijken te herhalen en dat bepaalde evolutiepatronen steeds weer terugkomen.

Eén van de pregnantste verschijnselen in de moderne Westerse wereld die ook terug te vinden zijn in de evolutiekringloop van bijna alle vroegere beschavingen, is het onvermogen van volkeren om de symptomen en gevaarsignalen te herkennen die grote omwentelingen en in sommige gevallen het verval inluiden van hun eigen maatschappelijke patroon.

John Naisbitt schreef reeds in 1984 in zijn bestseller Megatrends dat de volgende fase in de ontwikkeling van de Westerse maatschappij het post-industriële informatie-informaticatijdperk zou zijn. De informatiemiddelen en informatievoorziening zouden een explosieve expansie te zien geven. Nooit tevoren zou zoveel informatie voor de massa beschikbaar zijn gekomen.

Deze informatievloedgolf heeft ongetwijfeld tot openbaarheid en popularisatie geleid. Dit moet ook tot hebben bijgedragen tot de val van communistische regimes, die zich voorheen konden handhaven bij gratie van hun informatiemonopolie. Menig ervaren politicus in het Westen vraagt zich nog steeds verbijsterd af hoe zich in een ogenschijnlijk kort tijdsbestek zulke schokkende omwentelingen in het oosten van Europa hebben kunnen voordoen die men twee jaar daarvoor in het geheel niet had voorzien.

Tegelijkertijd is er de nog onthutsender ontdekking dat wij ondanks de vloedgolf van informatie in wezen geen van de hedendaagse grote omwentelingen hebben zien aankomen: het uitbreken van het fundamentalisme in de islamitische wereld, de snelle ondergang van de communistische macht, de Duitse hereniging, de snelle afbraak van de apartheid, de dramatische Golfcrisis, het afbrokkelen van het federale Europa-ideaal. Evenmin weten wij wat ons op den duur te wachten staat op het punt van de wereldwijde energievoorziening en milieu-aantasting of kunnen wij overzien hoe het computertijdperk en de consumptiemaatschappij op de lange duur onze Europese beschaving en cultuur zullen aantasten. Of weten wij dit wel? De risico's van nucleaire proliferatie ten slotte worden met de dag groter en alarmerender.

Vast staat dat wij niet alleen aan een lawine van informatie maar ook aan een vloedgolf van desinformatie bloot staan en dat het vermogen door de bomen het bos te zien en aan het beschikbare feitenmateriaal de juiste interpretatie te geven, niet zelden wordt verzwakt door het keurslijf van starre denkpatronen en axioma's. Zo koesterden de Romeinen omstreeks 450 nog de illusie dat hun keizerrijk een onaantastbaar imperium was. Hoewel de symptomen van verval en ondergang, zoals Gibbon aantoont, voor het grijpen lagen, vermochten de Romeinen deze niet als zodanig te onderkennen en de mogelijkheid onder ogen te zien dat drie decennia later de zogenoemde barbaren een einde aan het (West) Romeinse rijk zouden maken.

Ons Westerse voorstellingsvermogen is geketend aan talloze heilige huisjes en axioma's. Eén van de onaantastbaarste is wel de overtuiging dat slechts een pluralistische democratie, sociale en morele tolerantie en goed verankerde mensenrechten de garantie bieden voor een succesvolle economische en sociale bloei. Elke andere propositie is bij voorbaat taboe. Maar wat te denken van sommige Aziatische landen waar, met behoud van traditionele beschavingswaarden, ongeëvenaarde sociaal-economische successen zijn behaald met jaarlijkse groeipercentages van tien procent in samenlevingen die met stevig paternalistisch centralisme worden geregeerd?

West-Europa bevindt zich nu ruim dertig jaar op het spoor van integratie, waar Schumann, Adenauer en De Gasperi het na de oorlog op hebben gezet. Dit was het Toynbeeaanse antwoord op de uitdaging voorgoed een einde te maken aan de rampzalige volksoorlogen die met sombere regelmaat het Europese subcontinent hadden geteisterd. Het bleek later ook het aangepaste antwoord te zijn op de uitdaging van de communistische dreiging uit het Oosten en van de krachtige economische concurrentie uit Noordamerikaanse en Japanse hoek. De NAVO en de geïntegreerde Europese markt hebben zich voor het doel dat hun oprichting rechtvaardigde, zonder meer bewezen.

Het zou dan ook onbillijk zijn af te dingen op de toegewijde ijver van generaties politici en ambtenaren die aan de opbouw van de Westeuropese integratie hebben gewerkt. Maar de geschiedenis is onverbiddelijk en over vijftig à honderd jaar zal men zich afvragen of wij in het jaar 1991 wel bezig waren ons voor te bereiden op de uitdagingen van de toekomst of dat de denkbeelden die nu ten grondslag liggen aan onze organisatiestructuren niet zijn achterhaald.

Gezien vanuit het Zuidoostaziatische perspectief lijkt West-Europa maar een klein lapje grond, een appendix van het Euro-Aziatische continent. Prominente Aziaten menen op dit kleine lapje grond een bewustzijnsvernauwing waar te nemen als gevolg van de soms wat eenzijdige en overheersende aandacht voor het verdiepen en verbreden van de Westeuropese samenwerking en het gebrek aan belangstelling voor macro-ontwikkelingen elders.

Intussen voltrekken zich op de overige continenten van de aardbol massieve, maar niet altijd in het oog springende veranderingen. De immense Zuidoost-Azië- en Pacific-regio maakt een proces door van verbluffend snelle economische groei. Nederlandse en andere Westeuropese ondernemers hebben er geen gras over laten groeien en zijn hier op grote schaal aanwezig. Een land als Singapore rekent erop over enkele tientallen jaren het levensniveau van de Verenigde Staten te hebben ingehaald en beschikt nu reeds over de grootste bunker- en containerhaven, over het beste vliegveld, de modernste ondergrondse en geavanceerdste medische voorzieningen ter wereld, om over de explosieve groei van Taiwan, Korea, Hongkong en in toenemende mate ook Maleisië, maar niet te spreken.

Het Afrikaanse continent gaat de tegenovergestelde bergafwaartse richting op en verpaupert snel: een tragedie van wereldformaat.

In Zuid- en Noord-Amerika is sprake van gevaarlijke en mogelijk fatale roofbouw op essentiële hulpbronnen als regenwoud en energie.

Oost-Europa en de Sovjet-Unie, inclusief Siberië, bevatten enorme gebieden waar instabiliteit en een machtsvacuüm tot allerhande gevaarlijke situaties kunnen leiden die buiten ons voorstellingsvermogen liggen.

Tegen de achtergrond van deze grootscheepse veranderingen in de wereldverhoudingen lijkt de Westeuropese trein door te blijven rijden op een traject dat steeds onoverzichtelijker wordt. En er lijken maar weinig passagiers klaar te staan om aan de noodrem te trekken.

We moeten ons meer bewust worden van de broosheid van onze ingebouwde logica en van het feit dat onze rotsvaste uitgangspunten in korte tijd aan het wankelen kunnen raken. We moeten ons realiseren hoe kwetsbaar wij worden als we informatieanalyse over laten aan computers en hoezeer het nodig is onszelf steeds weer kritisch af te vragen waar we mee bezig zijn en waar we naar toe gaan. Van de leiders moeten wij verwachten dat zij inspelen op een volgende etappe van de kringloop der beschavingsgeschiedenis.

Het is dan ook geruststellend ons land gezegend te weten met leiders die ons met kritisch en visionair denken vóórgaan, zoals het staatshoofd in haar inspirerende jaarlijkse kerstboodschappen en de regeringsleider, die met het energieplan een initiatief van wereldformaat heeft genomen.