Bonn en Londen tegen Europese industriepolitiek; Paragraaf EPU wekt verzet

BRUSSEL, 4 DEC. De Bondsrepubliek en het Verenigd Koninkrijk hebben zich gisteren in Brussel tegen de paragraaf over industriebeleid gekeerd in het concept-verdrag voor een Europese politieke unie.

Volgens het Nederlandse voorstel moeten de EG en de lidstaten “zorg dragen voor de ontwikkeling van het concurrentievermogen van de industrie”. Beide landen vinden dat het de mogelijkheid opent om via subsidies of voorkeursbehandeling bepaalde nationale industriën te stimuleren. De Britse minister Hurd sprak gisteren van een “te interventionalistische” passage. Ook de Duitsers vrezen dat het klassieke beginsel van vrije concurrentie binnen de EG hiermee in gevaar gebracht kan worden.

De bezwaren kwamen naar voren tijdens een tweedaags "conclaaf' van EG-ministers van buitenlandse zaken in Brussel. Na afloop werd echter duidelijk dat het geschil over industriebeleid door Nederland niet tot de hoofdvragen voor de komende top van Maastricht wordt gerekend. Dezer dagen wordt gewerkt aan een nieuwe tekst, waarvan wordt gehoopt dat het in Maastricht door de lidstaten zonder extra ophef in het totale pakket van concessies over de verdragtekst wordt geaccepteerd.

De passage in de huidige vorm zou door het Nederlandse voorzitterschap van de EG-ministerraad zo zijn geformuleerd om Frankrijk, Italië en Spanje tegemoet te komen. Deze landen kennen een sterke traditie van overheidssteun aan nationale bedrijven. In de verdragtekst staat dat de EG en de lidstaten de “aanpassing van de industrie aan structurele wijzigingen bespoedigt”. Ook dienen de Gemeenschap en de lidstaten te zorgen voor een “gunstig klimaat voor de ontwikkeling van het midden- en klein bedrijf” en “samenwerking tussen ondernemingen” te bevorderen. Daarnaast dienen de EG en de lidstaten op te treden om het “industrieel potentieel, het innovatie- onderzoeks- en technologiebeleid” te stimuleren. Daarbij wordt vooral gedacht aan “toekomstgerichte industrië” waarvoor de EG en de afzonderlijke lidstaten specifieke maatregelen mogen nemen. Dat alles “overeenkomstig een systeem van open en concurrerende markten”.

Volgens de Britten en de Duitsers is dat met elkaar in tegenspraak. Bovendien bevat het verdrag nog bepalingen over het “bijdragen” door de Gemeenschap aan de ontwikkeling van “transeuropese netwerken op het gebied van vervoersinfrastructuur, telecommunicatie en energie”. Beide artikelen bij elkaar genomen zouden voor een lidstaat gemakkelijk de basis van een centraal geleide industriepolitiek kunnen vormen. Bij de Commissie, het dagelijks bestuur van de EG, lopen de interpretaties uiteen van "overbodig' tot "potentieel gevaarlijk'. Ook zonder dit nieuwe artikel is de EG al in staat om het daarin beschreven industriebeleid te voeren, zo wordt opgemerkt. Wordt het artikel echter een onderwerp van politieke controverse dan zou de Commissie er het liefst een streep doorhalen, onder het motto "geen slapende honden wakker maken'.