Arie Luyendijk heeft ondanks "Indy'-roem geen sponsor en wagen

ELBURG, 4 DEC. Voor de Nederlandse coureur Arie Luyendijk groeien de bomen in de Verenigde Staten niet langer tot in de hemel. De spectaculaire overwinning vorig jaar in de beroemde 500 mijlsrace van Indianapolis, die van de in Scottsdale (Arizona) wonende Nederlander op slag een man in bonus maakte, heeft zich op het sportieve vlak niet vertaald in continue successen en sponsors die in groten getale op de stoep staan. Luyendijk eindigde in de PPG Indy Car World Series, de Amerikaanse tegenhanger van de Formule I, dit jaar op de zesde plaats. Met een prijzenbedrag van 1.143.194 dollar, waarvan de rijder met aftrek van belasting en de kosten bij het team van Vincent Granatelli hooguit zo'n veertig procent zelf overhoudt.

Voor het seizoen 1992 is de positie van Luyendijk allesbehalve florissant. Hij heeft op dit moment geen sponsors en derhalve geen auto en overweegt een juridische procedure tegen zijn vorige geldschieter Bob Tezak, die het team van Granatelli in de steek heeft gelaten. Luyendijk zegt daardoor nog honderdduizenden dollars achterstallig salaris tegoed te hebben.

De Indy Car-competitie 1991 was het jaar van Michael Andretti, zoon van voormalige Formule I wereldkampioen Mario, die een kleine tweeëneenhalf miljoen dollar in de wacht sleepte, in totaal acht races won, maar ondanks die successen in de Formule I bij McLaren voor Senna en Berger niet meer mag doen, dan af en toe wat testwerk verrichten wanneer Senna daar zelf zijn neus voor optrekt.

“De hoop op de Formule I heb ik jaren geleden al opgegeven”, zegt Luyendijk die gisteren te gast was in het automuseum van Ben Huisman in Elburg om wat promotiewerk voor zijn persoonlijke sponsor Philip Morris te doen en het eerste exemplaar van het boek Rally's en Races in ontvangst te nemen. “Maar het blijft sluimeren. Ik zou dolgraag eens een test bij een goed Formule I-team willen doen. Maar zoals het nu ligt vraag ik me af: "wat moet ik in Europa doen?' Om me ergens in de Formule I in te kopen moet ik drie miljoen dollar meenemen. Dat zie ik aan al die Formule 3000 jongens uit Italië die zakken met geld meebrengen om in de Formule I te komen.”

Maar geld is ook het grote probleem in zijn eigen specialiteit, de Indy Car. Om een goed seizoen in deze in de Verenigde Staten uiterst populaire competitie, die zeventien races omvat, te draaien, schat Luyendijk dat hij acht miljoen dollar nodig heeft om met succes een gooi naar het kampioenschap te kunnen doen. Financiën die dit jaar hebben ontbroken waardoor zijn sportieve prestaties, onder meer overwinningen in Phoenix en Nazareth, in een heel ander daglicht komen te staan en als optimaal mogen worden beschouwd.

Het team van Vincent Granatelli waarvoor Luyendijk reed had door de interne strubbelingen met sponsors de grootste moeite de zaken financieel rond te krijgen. De wagen reed grotendeels rond zonder reclame, een excellent ontwerper als Morris Nunn moest wegens bezuiniging worden ontslagen.

Het is al met al geen opwekkend perspectief voor Luyendijk die momenteel via een door hem ingeschakeld pr-bureau met verschillende sponsors in onderhandeling is voor het nieuwe seizoen dat op 22 maart begint in Surfers Paradise (Californië). Luyendijk: “Het probleem met de sponsors is dat veel bedrijven hebben afgehaakt vanwege de verslechterde eeconomische situatie in de Verenigde Staten. Het klimaat is momenteel niet zo goed. Dat zie je ook aan Willy T. Ribbs, een zwarte rijder en protégé van Bill Cosby. Voor zo'n rijder, die veel publiciteit vertegenwoordigt, zouden de sponsors toch in de rij moeten staan. Maar dat is beslist niet het geval.”

Niettemin is de Indy-Car-competitie mateloos poulair in de Verenigde Staten, dat in 1992 niet eens een Grand Prix voor Formule I wagens op de racekalender heeft staan. Luyendijk: “Dat komt door Bernie Ecclestone. Die heeft er in Phoenix niets aan gedaan. De stratenrace interesseerde hem geen lor. Ik heb begrepen dat nu San Diego voor 1993 een Formule I-race probeert te krijgen. Het grote verschil tussen "Indy' en Formule I is toch het geld. Zo'n Prost kan stoppen en hoeft nooit meer te werken. Dat kunnen Indy-coureurs zich niet veroorloven. Zelfs een Emerson Fittipaldi niet. Daarom gaan coureurs in de Indy-races qua leeftijd misschien een stuk langer mee.”