Simons snijdt band ambtenaren met adviesorganen door; WVC komt los van 'adviesclubs'

DEN HAAG, 3 DEC. “Als de staatssecretaris met een probleem zit waarover hij een advies wil, moet het niet nodig zijn dat er weer een aparte club wordt geïnstalleerd. Een bestaand adviesorgaan moet dan, eventueel met hulp van buitenaf, zo'n vraagstuk kunnen uitbenen en in korte tijd over kunnen adviseren.”

Als het aan staatssecretaris Simons (volksgezondheid) ligt, zijn de adviesorganen over een jaar of drie niet langer “een optelsom van belangenbehartigers” en rollen er geen “compromissen van compromissen” meer uit de bus.

Simons, getroffen door een combinatie van oververmoeidheid en griep, is blij dat nu eindelijk “het bed kan worden opgeschud”, dat het kabinet akkoord is gegaan met een nieuwe opzet van de grote adviesorganen in de gezondheidszorg. “Zoals je vroeger in de politiek de 200 van Mertens had, heb je ook in de gezondheidszorg een club van zo'n 150 topbelangenbehartigers, die met elkaar voortdurend in een bepaald circuit de volksgezondheidspolitiek in hoge mate beïnvloeden. Door de jaren heen is die elite ontstaan. Dat moet nu veranderen; direct betrokkenen, zoals patiënten en consumenten, moeten meer invloed krijgen.”

De vastgeroeste adviesstructuur op het gebied van de volksgezondheid - te bureaucratisch, te log en te complex - is al enkele jaren onderwerp van studie. De commissie-Dekker adviseerde al in 1987 de adviesorganen kleiner en slagvaardiger te maken of in het uiterste geval af te schaffen of te privatiseren. Vorig jaar bracht prof.dr. W.S.P Fortuyn een soortgelijk advies uit.

Simons schakelde de traditionele adviesorganen, met name de Nationale Raad voor de Volksgezondheid, de afgelopen twee jaar mondjesmaat in. Grote vraagstukken werden aan speciaal daartoe ingestelde commissies voorgelegd, zoals de commissie-Dunning (keuzen in de zorg) en de commissie-Werner (positie verpleegkundigen). Onderwerpen waarover ook bestaande adviesorganen dikke rapporten schreven. Simons knikt bevestigend. “Ze zullen eens ergens niet over adviseren. Dunning en Werner werden juist ingeschakeld om te bereiken dat de maatschappelijke discussie over keuzen in de zorg en de positie van de verpleegkundige zich verbreedt, buiten die adviesclubs om.”

Direct voegt Simons eraan toe dat de Nationale Raad voor de Volksgezondheid het afgelopen jaar flink aan de weg heeft getimmerd. Dat is niet zo verwonderlijk, omdat hij daar bijna een jaar geleden zelf een nieuwe voorzitterbenoemde, afkomstig van het departement, voormalig directeur-generaal volksgezondheid Van Londen. “De afgelopen vier, vijf jaar heeft de raad een tanende invloed gehad. Opeenvolgende staatssecretarissen zagen er steeds minder brood in om de Nationale Raad om advies te vragen. Dat is nu al aan het veranderen. Oud-voorzitter Hendriks heeft het stokje op het goeie moment doorgegeven.”

Belangrijk vindt Simons het dat de banden worden doorgesneden tussen de adviesorganen en zijn departement. “Er zijn nu allerlei vermengingen, WVC-ambtenaren die als adviseurs of als waarnemers in adviesorganen zitten. Dat is niet per definitie slecht, maar het leidt ertoe dat er soms minder onafhankelijk over adviezen wordt geoordeeld. Uit democratisch oogpunt is die verwevenheid niet goed. Een adviesorgaan is een adviesorgaan, de overheid is de overheid. Je moet die twee goed uit elkaar houden, dat is het meest zuiver.”

Ook op WVC zal als gevolg van de stelselwijziging, de grote efficiency-operatie en de voortgaande decentralisering van overheidstaken de komende jaren het nodige veranderen, zegt Simons. In de loop van volgend jaar wordt bekend wat de kerntaken van Volksgezondheid zijn. “Waar dat kan op het departement, moeten we met minder toe. Maar we moeten de aantallen niet boven de inhoud van het beleid stellen.” Verkleining van het ambtenarenapparaat hoeft volgens de staatssecretaris niet gepaard te gaan met gedwongen ontslagen.

Fortuyn wees er een jaar geleden in zijn advies over de adviesorganen op dat erop het departement een onevenwichtige verhouding is tussen de aandacht voor de financieel-economische en technische kanten van het beleid en de zorginhoudelijke kant. “Voor zover er in het kabinet over de volksgezondheid wordt gesproken, is de invalshoek meestal een macro-economische. Dan gaat het er bijvoorbeeld om of het hier of daar niet een paar miljoen minder kan. Maar we moeten in het Haagse de aandacht tussen geld en inhoud weer wat meer in evenwicht brengen.” De discussie over de keuzen in de zorg geven volgens Simons hetzelfde beeld te zien: de politieke discussie verengt zich al snel tot de samenstelling van het basispakket tegen ziektekosten. “Daarom zingt Den Haag zich zo los van het grondvlak. Als we het vrijwel uitsluitend over de centen hebben, missen we de boot.”