Overweldigende Verdi met riante vocalisten

Voorstelling: Luisa Miller van G. Verdi door de Ned. Opera en het Ned. Philh. Orkest o.l.v. Carlo Rizzi (23-12: Julian Reynolds) m.m.v. Peter Rose, Neil Shicoff (9, 15, 23, 29-12: Sergej Larin), Catharine Keen, Michael Devlin, Brent Ellis, Kallen Esperian, Leonie Schoon, Adriaan van Limpt. Decor en kostuums: Alberte Barsacq; regie: Werner Schröter. Gezien: 2-12 Muziektheater Amsterdam. Herhalingen met wisselende cast en dirigent: 6, 9, 12, 15, 17, 21, 23, 26, 29-12.

Verdi's veertiende opera Luisa Miller, op basis van Cammarano's redelijk gelukte reductie van Schillers veel complexere drama Kabale und Liebe (Intriges en liefde) doet zich bij de Nederlandse Opera in de nieuwe produktie van film- en toneelregisseur Werner Schröter voor als een driedimensionaal uitgevoerd veelvoudig gelaagd dramaturgisch schema.

We zien als decor een stalen samenstel van vloeren in zes horizontale lagen die verticaal zijn opgedeeld in vijf zones en onderling zijn verbonden met trappen en luchtbruggen. De personages bewegen zich daarbinnen bijna vrijelijk in hun onderlinge confrontaties, vrijwel zonder directe symboliek. De bovenste laag is niet het kasteel van graaf Walter en zijn zoon Rodolfo. En de onderwereld wordt niet gevormd door het dorpse huis van de oude Miller en zijn dochter Luisa, die een van de drie slachtoffers wordt van haar onschuldige liefde voor Rodolfo, wiens vader een andere bruid op het oog heeft.

Het lijkt met die koele esthetiek allemaal hedendaags en abstract, alleen de fraaie kostumering verwijst naar historie. De drie simpele stoelen die na de pauze op een van de vloeren staan vormen dan al bijna een stijlbreuk. En het enige andere dat onevenwichtig aandoet is het feit dat niet, zoals aanvankelijk het geval is, alle personages op het podium staan en daarmee hun invloed op het verloop van de handeling kenbaar maken, of ze daaraan actief deelnemen of niet.

Voor het overige is hetgeen Schröter toont, zeker aan de oppervlakte, een degelijk ouderwetse operavoorstelling, gebaseerd op beproefde principes en niet vrij van houtenklazerige cliché's. Die laatste doen aanvankelijk enige ironie vermoeden, maar daarvan is absoluut geen sprake. Deze Luisa Miller is een volstrekt serieuze voorstelling met grote theatrale en muzikale kwaliteiten die trefzeker met strenge en perfectionistische hand zijn georganiseerd.

Zo helder als het toneelbeeld eruit ziet, zo mathematisch gestructureerd is ook de uiteindelijk overweldigende dramatische opbouw, zowel zichtbaar op het podium als hoorbaar vanuit orkestbak en in de vocale uitbeelding. Anders dan onlangs in Fidelio is hier de coördinatie tussen regisseur en dirigent voorbeeldig, zich uitend in liefdevol beheerste en zorgvuldig opgevoerde pathetiek.

In de eerste acte doet de feilloos volgehouden geleidelijke aanloop naar de climax van het enerverende finale kwartet soms nog iets gewrongen aan: de nog heel jonge Italiaanse dirigent Carlo Rizzi houdt het met het uitstekend spelende Nederlands Philharmonisch Orkest in de ouverture en in de eerste scènes wel erg klein om daarna destemeer indruk te kunnen maken. Maar in de tweede en derde acte geschiedt de noodlottige afwikkeling door middel van zich steeds verder uitdiepende emoties met onontkoombaar dramatisch effect.

Wat een vervoerende momenten als Luisa eerst haar vader confronteert met haar doodsverlangen en even later in dat zelfde bloemengraf onwetend door haar geliefde Rodolfo wordt vergiftigd! De aangrijpende slotscène is de pure Verdi die op het punt staat al zijn opgedane ervaring te gaan gebruiken in dat perfecte trio Rigoletto, Trovatore en Traviata.

De uitvoering wordt gedragen door een vocale cast van een hier zeldzaam riante klasse. Al heeft de beroemde tenor Neill Shicoff (ooit zong hij hier o.a. naast Catherine Malfitano in La bohème) als de gravenzoon Rodolfo de fysieke uitstraling van een schoolmeester die geen orde kan houden, hij heeft een strot als weinig anderen, met een fiks volume èn meeslepend stijlgevoel. In een aantal volgende voorstellingen wordt hij afgewisseld met Sergej Larin. De Amerikaanse Kallen Esperian spreidt als Luisa dan wel geen constant loepzuiver belcanto tentoon, haar geëngageerde uitbeelding van de deerniswekkende titelrol is zeer bewonderenswaardig en overtuigend.

Ook de kleinere rollen zijn goed tot heel adequaat bezet: Peter Rose als graaf Walter, Brent Ellis als Miller, Catherine Keen als Federica, Michael Devlin als Wurm en Leonie Schoon als Laura. Het Amsterdamse publiek verdeelde de reacties traditioneel weer in geroep van boe en bravo.