Lubbers mag de top in Maastricht redden

De grote leiders van Europa moeten weleens om hem lachen, ze vinden hem allemaal heel knap en soms zelfs wat irritant. Ruud Lubbers is econoom, combineert graag gegevens en stelt graag knap-lastige vragen tijden Europese topconferenties. Dat is allemaal heel verdienstelijk, maar in de grote Europese landen typisch iets voor oplettende ministeriële secretarissen, niet voor de Prime Minister zelf of voor Monsieur le Président of voor Herr Bundeskanzler. De premier van Nederland wil derhalve Europese Raadsvergaderingen nog weleens met allerlei ter zake doende interrupties larderen en daarmee zulke sessies van hun voorname feestelijkheid beroven. Dat zien de leiders van de grote landen niet zo graag. “Ach, Ruud, du brauchst dich hier doch nicht zu bewerben als Vorsitzender der Koblenzer Jugendverein” - of woorden van die strekking - zou één van die leiders hem wel eens goedmoedig en geprikkeld tegelijk bij zo'n gelegenheid hebben toegeroepen.

De Nederlandse premier heeft dezer dagen een rondreis door Europa gemaakt. Dit soort missies is hem op het lijf geschreven. Het nationale gewicht is voor zo'n makelaarstaak even niet zo belangrijk en het gaat om knippen en plakken van zelfstandige naamwoorden en werkwoorden op een zodanige wijze dat alle partijen zich erin kunnen vinden. Het gaat om consensus zonder al te veel draagwijdte, kortom om een internationaal klusje waarvoor een leerschool bestaat aan het Haagse Binnenhof. Premier Lubbers mag als internationaal bemiddelaar het verdrag voor een Europese Politieke Unie in elkaar schroeven en daarmee de top in Maastricht redden.

Weidse vergezichten zijn nu niet gevraagd, handige teksten met ruimhartige interpretatiemogelijkheden moeten de top redden. En of het ten slotte lukt, blijft tot het laatste moment in Maastricht de vraag, want zelfs als alles geregeld is, kan de Britse premier John Major op het laatste moment koudwatervrees krijgen. Hij heeft na de val van Margaret Thatcher immers de Europese koers wel verlegd, maar durft tot de verkiezingen geen stap meer te verzetten, bang als hij is voor verdeeldheid in zijn eigen Tory-gelederen.

De Europese Gemeenschap heeft zelden zo'n opwindend en ontnuchterend halfjaar beleefd als het huidige. Van euforie over Europa '92 is weinig meer te bekennen. De anti-Europese tendens in Groot-Brittannië leek met het vertrek van premier Thatcher verzwakt, John Major ontwikkelde een behoorlijke verstandhouding met Helmut Kohl en prees de Duitse "sociale markteconomie'. Voor een afrekening met de Brugge-groep in de eigen gelederen was Major zonder een eigen verkiezingsoverwinning echter te zwak en die overwinning kwam maar niet. De recessie en de aarzelende opiniepeilingen dwongen de Tories de verkiezingsdatum uit te stellen tot het allerlaatste moment.

Derhalve is de Britse premier nu elke schijn van regie over zijn eigen politieke toekomst kwijt, hij deint op de golven van de dagelijks wisselende stemmingen en ontketent hiermee in de Britse pers een nu al maanden durende Euro-nervositeit: elk detail, elk misverstand, elk citaat dat in verband met Europa kan worden gebracht leidt tot grote koppen en commentaren. Applaus voor Europa '92 is mis, minachting eveneens en zo zwalkt John Major richting verkiezingen.

Frankrijk en Duitsland zijn de voortrekkers in de Gemeenschap. De Fransen hebben zoals het er nu naar uitziet de Europese Monetaire Unie binnengehaald en dat is hen wat waard. Over enkele jaren bestaan er geen nationale betalingsbalansen meer. De politieke elite van dat land is dan van een structureel minderwaardigheidscomplex verlost en heeft de beschikking over een stabiele munt waarvan de kosten over een aantal andere landen kunnen worden uitgesmeerd. Die Franse doelstelling was helder en logisch en het doel komt in zicht. Maar verder is Frankrijk zijn kompas kwijt. Het land weet zich geen raad met de Duitse eenheid, weet zich geen raad met de vrijheid van Midden- en Oost-Europa en klampt zich vast aan een paar sjablonen van gaullistische snit. Komisch is zelfs de Franse distantie tot de NAVO geworden, want die organisatie heeft met Amerikaanse dominantie in Europa inmiddels net zoveel gelijkenis als De Gaulle met Mitterrand.

In werkelijkheid vreest Frankrijk de veranderingen in de wereld zeer. Bijna tweederde van de Fransen ziet zijn nationale identiteit bedreigd door de toevloed van immigranten, ruim veertig procent vindt ook Europa '92 in dit opzicht een gevaar. Presidentskandidaat Michel Rocard bevestigt in rokerige zaaltjes in zijn land: “Het is legitiem dat de burgers zich vandaag de dag afvragen wat de Franse identiteit eigenlijk is”. En zijn partijgenoot Lionel Jospin schrijft in zijn nieuwe bundel (L'Invention du possible) eenvoudigweg: “Eén van de oorzaken van de Franse malaise is de identiteitscrisis”. Wat betekent het eigenlijk om Fransman te zijn, schreeuwde de cover van het weekblad Le Point onlangs en voegde er een verhaal van reusachtige desoriëntatie aan toe. Als volken over hun nationale identiteit beginnen, is het vaak mis. Dat wist Nietzsche een eeuw geleden al. Dan zijn vertrouwde vanzelfsprekendheden ondergraven en hebben onzekerheid, krampachtigheid en onvoorspelbaarheid hun intrede gedaan.

In Frankrijk is het te merken. Dit land is na de Duitse eenheid niet alleen relatief kleiner geworden, maar ook angstiger. Een voorbeeld: Parijs blokkeert zonder gêne exportverruiming (textiel, landbouw, staal) voor Middeneuropese landen in de Gemeenschap, hoewel dat voor die broze democratieën van levensbelang is. De Fransen blijven bepaald niet alleen omwille van het beredeneerde en simpele eigenbelang zo star, ook al wil achter de hand die suggestie nog weleens worden gewekt. De Franse overheid is eenvoudigweg doodsbang voor de eigen boeren en beschikt niet over de autoriteit om daden te stellen. Achter een iele façade van grandeur gaat een onzekere natie schuil.

Maar tegelijk is er dan die bizarre vriendschap tussen twee extremen, tussen François Mitterrand en Helmut Kohl. De ijzige Fransman weet zijn Duitse tegenspeler herhaaldelijk te beledigen met onhoffelijke protocol-spelletjes of kwetsende uitspraken - bijvoorbeeld in 1989 over de ongewenste Duitse eenheid - maar telkens opnieuw blijkt de Duits-Franse as te worden gerepareerd. De gemoedelijke, sentimentele Rijnlander slikt veel weg en heeft zich als "kleinzoon van Adenauer' (Kohl over Kohl) vastgebeten in een opdracht van historische afmeting: een verenigd Duitsland hecht verankerd in een verenigd Europa.

Dit halfjaar heeft op ontnuchterende wijze aangetoond dat niemand die politieke unie in Europa eigenlijk wenst. De geïmproviseerde aan- en afwezigheid van EG-landen in de Golfoorlog kon nog worden afgedaan als gevolg van een misverstand of een verrassing. Veel landen hadden nog niet tot zich laten doordringen wat het einde van de Koude Oorlog precies betekende en Duitsland was nog te veel met zichzelf bezig geweest. Maar kort daarop illustreerde de burgeroorlog in Joegoslavië hoe weinig politieke unie er bestaat op het gebied dat door Mitterrand en Kohl onlangs nog tot de kern van een politieke unie is uitgeroepen: de gezamenlijke buitenlandse en veiligheidspolitiek.

Een andere pijler van de EPU, de versterking van het Europese parlement, moet het eveneens zonder Europees draagvlak stellen. Het ontwerp-akkoord waarmee premier Lubbers nu door Europa zeult, geeft het Europese parlement hooguit een nauwelijks vol te houden querulanten-positie via een ingewikkeld vetorecht. Van de juridische pijler is evenmin veel overeind gebleven. Een gezamenlijk immigratie- en asielbeleid komt niet van de grond, al was het maar omdat diverse lidstaten van asielrecht helemaal niets willen weten en andere - voorop Groot-Brittannië - Brusselse jurisdictie als een verwerpelijke vorm van kolonisatie door de EG beschouwen. Het kleinste gemene veelvoud dat moet leiden tot een EPU-verdrag heeft zodoende met het ideaal van Helmut Kohl weinig meer te maken.

Dit geschiedt op een moment dat Duitsland aan den lijve andere zorgen voelt dan de bureaucratische abstracties van zijn eurocraten. Immers, Duitsland voelt de druk van de destabilisatie in het Oosten het sterkst. Het krijgt verreweg de meeste vluchtelingen te verwerken en betaalt verreweg het meeste aan Oost-Europa. Wat dit laatste betreft: bijna zestig procent van alle kredieten aan Oost-Europa zijn uit Duitsland afkomstig. Het Duitse en Europese dilemma is daarmee dreigend evident: als de Europese Gemeenschap die Duitse moeilijkheden negeert, zal Duitsland meer eigen boontjes in Oost-Europa moeten doppen, maar als de Europese Gemeenschap meer doet voor Oost-Europa, dan krijgen belangrijke EG-regeringen (Frankrijk, Groot-Brittannië, Spanje) moeilijkheden met hun eigen kiezers.

Door dit alles zou het wachten op Duitse frustraties over de Europese Gemeenschap een kwestie van aftellen zijn als daar niet telkens weer dat wonderlijke koppel Kohl-Mitterrand was. Het tweetal heeft bezworen dat de top van Maastricht een succes zal worden. De politieke unie moet doorgaan, al is het voorlopig maar als fictie, zo lijken zij te zeggen.

Kohl en Mitterrand hebben zichzelf tot een succes in Maastricht veroordeeld - mislukking zou het signaal zijn dat de Europese integratie op haar eind loopt en de verwatering van Europa staat te beginnen. De Verenigde Staten en Japan hoeven dan de EG niet langer als een toekomstig machtscentrum te beschouwen. Zonder Europese Gemeenschap zou Frankrijk naar de marge van Europa worden gedrukt. Kortom, een bij voorkeur tot op het laatst moeizaam bevochten succes voor de Gemeenschap in Maastricht biedt voor de twee gangmakers de enige mogelijkheid aan een grote Europese malaise te ontsnappen. Desnoods meldt Londen zich over een halfjaar weer.

Wie het laatste halfjaar overziet, struikelt in de beschouwingen en analyses over woorden als herwaardering en ontnuchtering. Dat geldt voor menig EG-land, maar wat te denken van Nederland zelf? Nederlandse bewindslieden zijn bijna aan het einde van een buitengewoon spannend en bezig halfjaar, want deze vijf maanden boden vermoedelijk het zwaarste voorzitterschap dat een EG-land ooit heeft bekleed. Ter illustratie: de residentie kreeg in enkele maanden tijd meer bezoek van gewicht dan normaal gesproken in enkele decennia (Bush, Kaifu, de Joegoslavische vredesconferentie).

De materie van de Gemeenschap, de plussen en minnen en de consequenties, zijn meer onderdeel van het publieke debat dan voorheen. Zelfs in Nederland, waar het gemak van het ideaal elke behoorlijke discussie over de Europese Gemeenschap steeds in de weg stond. De botsingen en blauwtjes van de laatste vijf maanden waren voor Nederland een anatomische les. Veel zelfbedrog en geprikkeldheid kwamen aan de oppervlakte, een paar behartenswaardige lessen kunnen worden geleerd. En dan gaat het niet eens zozeer om de mislukte bemiddeling van minister Van den Broek in de Joegoslavische burgeroorlog. Want hoewel ook hier de klassieke ondeugden van Buitenlandse Zaken zichtbaar werden - met de rug naar Duitsland en geen relatie met Frankrijk - had geen enkele EG-voorzitter hier veel verder kunnen komen. Van den Broek deed zijn uiterste best, misschien wat al te gretig, maar wat had hij anders kunnen doen? Het Europese falen in Joegoslavië is dan ook meer een les voor Europa dan voor Nederland.

Nee, het gaat om iets anders. Nederland heeft niet meer die bijzondere en unieke positie in de Gemeenschap uit de oprichtingsjaren. Toen waren er maar zes lidstaten en was de grote oosterbuur een gehavende verliezer. Nu zijn er twaalf lidstaten, Nederland heeft een bruto nationaal produkt dat nog even onder dat van Noordrijnland-Westfalen ligt, een bevolking die ongeveer drie procent van de Gemeenschap omvat en een monetair beleid dat in Frankfurt wordt gemaakt. Tegelijkertijd houdt Nederland iets van de "geprikkeldheid van een kleine natie met een groot verleden'. Het leedvermaak over de Nederlandse afgang op "Zwarte Maandag' (alleen de naam al!) was weliswaar gericht op de Nederlandse bewindslieden aldaar, maar er klonk ook nogal wat collectieve gekwetstheid in door.

De eigenzinnigheden van de Duitse en de Franse minister van buitenlandse zaken, Genscher en Dumas, werden des te pijnlijker gevoeld. Met de Duits-Franse stunt van Haarzuilens confisceerde het duo niet alleen Van den Broeks dienstauto maar schoffeerde het ook Nederland door achter de rug van Van den Broek een eigen Europees beraad aan te kondigen. Typisch was daarna niet eens zozeer de algehele verongelijktheid - "hoe durven ze' - maar veeleer nog de opvatting in het Nederlandse kabinet dat Frankrijk en Duitsland dit keer werkelijk te ver waren gegaan: nu zouden de kleine lidstaten van de EG zich gehaast melden om onder Nederlandse leiding aan zoveel grote-landenarrogantie paal en perk te stellen: Nederland in de rol van grootste van de kleine landen. Die andere kleine landen meldden zich vervolgens niet, al was het maar omdat deze sentimenten hun vreemd zijn en zij van oudsher hun belangen veeleer in bilaterale of trilaterale verbanden plegen te behartigen.

De discrepantie tussen werkelijkheid en perceptie speelde Nederland ook parten bij de verwerping van het Nederlandse voorstel voor een Europees Verdrag op maandag 30 september 1991 in Brussel, waar iedereen behalve België en de EG-Commissie zich tegen het voorstel keerde. “Het Nederlandse voorzitterschap zwalkt tussen twee bakens heen en weer. Enerzijds voelt Den Haag zich verantwoordelijk voor het scheppen van consensus, anderzijds wil het leiding geven aan de te voeren politiek”, schreef deze krant in een commentaar de volgende dag (met een aansporing om zich van de losbarstende kritiek niet teveel aan te trekken omdat deze uit zeer uiteenlopende hoeken kwam). Iedereen viel over Nederland heen, alsof het een revolutionair Euro-federaal voorstel had gepresenteerd, terwijl het in werkelijkheid nog niet zoveel meer was dan het kleinste gemene veelvoud van de vele opvattingen in de EG.

Het laatste halfjaar openbaart zich hoe radeloos Nederland in wezen is over de Europese integratie. Neem het ministerie van buitenlandse zaken zelf. Omdat binnenland en buitenland bij de Europese integratie zo door elkaar heen lopen, heeft het departement minder en minder de regie in handen. Bovendien is het intern diep verdeeld: een deel ziet met argusogen en leedwezen hoe de integratie voortschrijdt onder leiding van Parijs en Bonn en hoe de Nederlandse relevantie wordt aangetast. Het communautaire ideaal is voor deze groep voornamelijk een instrument om Frankrijk, Duitsland (en een beetje de Britten) te kritiseren om op deze manier zoveel mogelijk soevereiniteit te redden. Het is maar een paar stappen verwijderd van teleurgestelde afzijdigheidspolitiek. Een andere groep werkt stug door aan de Europese integratie, of omdat het een ideaal is, of omdat er geen enkel serieus alternatief meer is voor Nederland. Met zulke essentiële meningsverschillen is het coördinerende departement aan het EG-voorzitterschap begonnen.

Nu zijn zulke tegenstellingen op zichzelf niet nieuw en voorts zijn ze alleszins symbolisch voor de dubbelzinnige positie van Nederland na de oorlog: enerzijds internationaliseren en integratie, anderzijds soeverein bij de gratie van het aloude evenwicht tussen Frankrijk, Duitsland, en Engeland, met de NAVO als beschermheer. Nieuw is echter wel dat dit klassieke dubbelspel moeilijk te spelen valt nu èn de Koude Oorlog voorbij is èn de Europese integratie menens wordt. Dit is niet alleen nieuw, maar het is tijdens het Nederlandse voorzitterschap ook acuut geworden. Wat wil Nederland? Wat kan het? De fractieleiders van de grote partijen in de Tweede Kamer lieten in interviews in deze krant vorige week allen blijken dat zij die hele Europese integratie eigenlijk niet zo'n vrolijke zaak meer vinden, laat staan: een ideaal. Het Nederlands EG-beeld wordt tamelijk verwarrrend met Thijs Wöltgens in de buurt van Margaret Thatcher en Elco Brinkman niet zo ver van Neil Kinnock vandaan.

De schokken van het laatste halfjaar hebben Europa in elk geval weggehaald bij de specialisten en er ten langen leste een algemeen binnenlands onderwerp van gemaakt. Dat is winst, want paradoxaal genoeg bevrijdt verdergaande Europese integratie een land niet van lastige nationale kwesties, maar dwingt ze juist deze te stellen en te ordenen.

Het Europa van de vrije markt legt immers allerlei nationale zeden en gewoonten aan banden, maar tegelijk brengt het ook een naakte confrontatie tussen de diverse Europese regio's met zich mee. Het Europa-debat verschuift hiermee naar nieuwe rivaliserende vragen: moet Nederland een aantrekkelijke economische locatie blijven en grote bedragen in de infrastructuur steken om in de vrije economische ruimte een magneetfunctie te behouden? Moet onderwijs prioriteit krijgen of wordt deze regio aantrekkelijk, omdat zij haar nationale engagement steekt in een voorbeeldige realisatie van een multiculturele samenleving? De keuzen en prioriteiten worden belangrijk voor een land dat een plekje in de zon van de vrije markt ambieert. Zo dwingt de verdergaande integratie in Europa curieus genoeg tot het definiëren van "nationale' prioriteiten. Dat is moeilijk voor een land als Nederland waarvan de staatsinrichting eigenlijk niet zo geschikt is voor het uitzetten van dergelijke strategische marsroutes, moeilijk ook voor een land dat geen enkele traditie heeft in het denken en handelen in zulke categorieën

Nederland heeft tot zijn schande moeten vaststellen dat het wat kleiner is dan was gedacht, dat anderen de dienst uitmaken en dat dat heel gewoon zal worden. Het Europa-debat komt voor Nederland straks in een andere fase. Een ontnuchterend halfjaar, straks hopelijk een feestje in Maastricht en dan heeft ook Nederland afgerekend met de aangename overzichtelijkheid van de naoorlogse tijd. Wat wil Nederland (nog) en wat kan het (nog)?