Inzet politie bij handhaven milieuwetten niet voldoende; Milieucontroles gehinderd door ingewikkeld overleg

ROTTERDAM, 3 DEC. Van een brede, systematische inzet van het totale politie-korps bij de handhaving van milieuwetten is geen sprake. De daadwerkelijke handhaving blijft ver achter bij het aantal misdrijven en overtredingen. Het Coördinerend politieberaad van de 26 (regio)korpschefs heeft besloten prioriteit te geven aan dit deel van de politie-taak, zo is gisteren en vandaag besloten op een op bijeenkomst van het beraad in Rotterdam. De korpschefs zijn gisteren uitvoerig voorgelicht over milieu-overtredingen en -misdrijven door Greenpeace.

Al in 1989 is binnen het beraad afgesproken dat de handhaving van de milieuwetgeving binnen de politie-korpsen een belangrijke plaats zou innemen. Een jaar later werd men het eens over een milieubeleidsplan bij de Nederlandse politie. Om een duidelijk beeld te krijgen van de problemen bij de handhaving van de bestaande wetgeving heeft het politieberaad een inventarisatie van de problemen laten maken door een adviesbureau.

De handhaving van milieuwetten wordt volgens die studie op dit ogenblik nog ernstig bemoeilijkt door de ingewikkelde overlegstructuur tussen alle betrokken overheidsorganen. Het gaat daarbij om twaalf instanties, zoals de waterschappen, zuiveringsschappen, Rijkswaterstaat, regionale inspecties milieuhygiëne, algemene inspectiedienst, korps controleurs gevaarlijke stoffen, arbeidsinspectie en scheepvaartinspectie, die met elkaar de naleving van achttien wetten en verordeningen moeten controleren. De politie heeft een handhavingstaak bij zestien wetten en verordeningen en deelt die taak met zes andere instanties.

“Onder verantwoordelijkheid van het ministerie van volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en milieubeheer,” zegt mr. P. Vogelzang, hoofdcommissaris van de Utrechtse politie, “wordt nu gewerkt aan het opzetten van een overleg waarbij al die instanties zijn betrokken. Dat overleg komt de laatste tijd ook regionaal van de grond.”

De informatievoorziening en -uitwisseling is nog gebrekkig georganiseerd en versnipperd, stelt het Beraad. Maar volgens Vogelzang wordt het laatste half jaar voorrang gegeven aan het scholen van agenten, die daadwerkelijk bij de handhaving betrokken zijn. Dat is noodzakelijk omdat de uitvoering van de handhaving van de milieuwetten door de politie nu nog sterk afhankelijk is van gespecialiseerde bureaus en zogeheten milieu-contactambtenaren.

“De meeste agenten weten niet waar ze op moeten letten,” zegt Vogelzang. “Inmiddels bestaat er een tiental lesboeken voor agenten aan de basis. Het onderwijs is natuurlijk van het grootste belang. Binnen drie tot vijf jaar moet het korps in zijn geheel zijn opgeleid op dit gebied.”

De wetgeving is op dit ogenblik zo tegenstrijdig en kent zo veel mazen, dat "de gelegenheid veelal de crimineel maakt', zo blijkt uit het onderzoek. Voor de louche ondernemer zijn er enorme winstmogelijkheden en bij het illegaal verwerken van verontreinigd afval is de pakkans nog altijd gering. In de praktijk blijkt bovendien dat het voor de politie heel moeilijk is een verdachte veroordeeld te krijgen. “Dat vergt een specifiek opsporingsonderzoek,” zegt Vogelzang. “Daarvoor is ook gedegen kennis nodig. We hoeven een agent niet meer te leren hoe hij iemand moet verhoren, maar het is wel nodig dat hij weet waar hij bij zo'n verhoor op moet letten.”