Een nieuwe sociale kwestie

De vraag is vaker gesteld. Wordt het langzamerhand geen tijd voor een parlementair onderzoek naar het reilen en zeilen van onze sociale zekerheid? De problemen bij de uitvoering van de WAO staan sinds enige tijd regelmatig in de schijnwerper. De kritiek op de ondoelmatigheid van de uitvoeringsorganisatie zwelt aan. Regelingen voor vervroegde uittreding worden onbetaalbaar. Een volgende sociale kwestie dient zich reeds aan: de officiële aanpak van de langdurige werkloosheid schiet schromelijk tekort.

Gedurende de tweede helft van de jaren tachtig kwamen er liefst zeshonderdduizend arbeidsplaatsen bij. Ondanks deze forse banengroei kent ons land nog altijd een harde kern van een paar honderdduizend hoofdzakelijk laaggeschoolde werklozen, die heel moeilijk aan de slag komen. De overheid geeft jaarlijks enkele miljarden uit om de positie van deze groep op de arbeidsmarkt te verbeteren. Tal van scholings- en werkervaringsprojecten beogen de uitgangspositie van weinig kansrijke werkzoekenden te verstevigen. Werkgevers krijgen daarenboven subsidie wanneer zij langdurig werklozen in dienst nemen. Dit beleid zet tot nu toe onvoldoende zoden aan de dijk.

Veel economen zoeken de verklaring in de hoogte van de loonkosten. Werklozen met weinig scholing en arbeidservaring zijn te duur om profijtelijk bij het produktieproces te worden ingeschakeld. Vandaar dat de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) vorig jaar voorstelde om het wettelijk minimumloon met dertig procent omlaag te brengen (zonder de uitkeringen te verlagen).

Eerder hadden twee economen uit Tilburg het vermoeden uitgesproken dat door verlaging van zowel het minimumloon als de vloerlonen in CAO's met tien procent de totale geregistreerde werkloosheid met ten minste vijftien tot twintig procent zou kunnen dalen. Sterk verlaagde loonkosten maken het voor werkgevers immers een stuk aantrekkelijker om laaggeschoolden in dienst te nemen.

O ja? Werkgevers zelf blijken daar heel anders over te denken. Zij verwachten dat een verlaging van het minimumloon eerder zal leiden tot afbraak van laagbetaalde banen, zo blijkt uit een onderzoek van V.I. Simmelink over Personeelsvoorziening voor functies op minimumloonniveau (VUGA, 1991). De zwakke plek in de loonkostentheorie is de veronderstelling dat er voldoende werkwillig en capabel aanbod is om eventuele extra vacatures van het bedrijfsleven te vervullen. Dat nu is hoogst twijfelachtig. Ondervraagde werkgevers melden dat thans al bijna de helft van de vacatures voor banen op en vlak boven het minimumloon moeilijk te vervullen valt. Na een loonsverlaging zullen de bestaande wervingsproblemen alleen maar toenemen. Het vervullen van hun vacatures wordt dan onmogelijk, denkt een kwart van de werkgevers. Zij zullen de betrokken werkzaamheden zoveel mogelijk automatiseren, of mensen proberen te trekken door de feitelijk betaalde lonen steeds verder te laten uitstijgen boven het verlaagde minimumniveau. Ongeveer de helft van de werkgevers toont zich bereid meer loon te bieden voor "minimum'functies. Hun voornemen staat haaks op de aanbeveling van de WRR, waarvan de gunstige effecten twijfelachtig lijken te zijn.

De ervaring van de afgelopen jaren geeft voedsel aan die twijfel. In 1984 werd het bruto wettelijk minimumloon met drie procent verlaagd; daarna is het tot 1990 niet meer verhoogd. Het gevolg? De laagste CAO-lonen ontstegen langzaam de wettelijke vloer van het loongebouw. Terwijl het aantal werknemers tussen 1983 en 1989 groeide met vijftien procent, verminderde het aantal minimumloners met twintig procent. Het aantal volwassen minimumloners daalde van drie tot twee per honderd werkenden.

Waarom is het vervullen van vacatures op minimumloonniveau zo moeilijk? Werkgevers noemen diverse oorzaken. Veel kandidaten staan niet te trappelen. Hun motivatie laat te wensen over. Zij vinden het geboden loon te laag en het verschil met hun lopende uitkering te gering. Een kwart van de langdurig werklozen in de RWW is kostwinner. Kostwinners gaan er na het aanvaarden van werk tegen het geldende minimumloon netto slechts vijftien gulden per maand op vooruit.

Voorts stellen werkgevers dat er te weinig sollicitanten komen opdagen, vaak met onvoldoende kwalificaties. Zij dringen daarom aan op meer scholing. Het onderzoek van Simmelink toont voorts een onthutsend beeld van de gebrekkige samenwerking tussen arbeidsbureaus, sociale diensten (voeren de RWW uit) en bedrijfsverenigingen (voeren de WW uit). Strafkortingen op de uitkering van werkschuwe werklozen zijn zeldzaam. Niemand heeft belang bij een harde aanpak. Het bezorgt de ambtenaren veel rompslomp, de korting stelt in de praktijk weinig voor en met name de sociale dienst wil klantvriendelijk blijven opereren. Het arbeidsbureau is bovenal bang zijn zwakke reputatie verder te schaden, wanneer het kandidaten naar de bedrijven stuurt die vooral worden gemotiveerd door vrees voor verzwaarde sancties.

De werkgevers voelen dit haarscherp aan. Zij zijn in ruime meerderheid voor scherpere sancties, maar verwachten niet daardoor meer gemotiveerde mensen binnen de poort te krijgen.

De omvangrijke, langdurige werkloosheid ziekt inmiddels door. Het verschijnsel vormt de kern van de nieuwe sociale kwestie: hoe krijgen we iedereen aan het werk? Alleen door alles op alles te zetten.