"Blijft dat zo tot uw dood?'

Wim Morsink is het type routinier onder de verdachten. Het kan hem allemaal niets meer verdommen, hij weet dat zijn leven verloren is en hij heeft geen zin daar nog veel woorden aan vuil te maken. Sodemieter allemaal op - dat is de taal van zijn lichaam, zoals hij slordig en onverschillig voor het hekje van de Arnhemse politierechter verschijnt. Zijn twee bewakers - Morsink is een gedetineerde - nemen op de achterste rij van de publieke tribune plaats.

Waarom bent u gedetineerd?'', vraagt de rechter, mr. G. Bracht, vriendelijk.

“Omdat ze me opgepakt hebben.” “Het betreft de tenuitvoerlegging van een oude straf”, helpt de advocaat, mr. R. Dobbinga, licht gegeneerd. “U mag gaan zitten”, zegt de rechter tegen de verdachte. “Ik blijf wel staan.” ,U zit al zoveel, wou u zeggen.” “Daarom.” “U wilde hier eerst niet verschijnen”, zegt de rechter. “Ik werd opgehaald, ik had weinig keus.” “U hoeft niet te verschijnen, maar nu u hier staat....” “Blijf ik wel.” “Maar waarom wilde u niet komen?” Morsink haalt ongeduldig zijn schouders op. “Waarom zou ik het weer allemaal moeten uitkramen? Het is toch bekend.”

Er ontstaat enig geharrewar over de vraag of een berechting nú zinvol is. De officier van justitie, mevrouw M. Beun, herinnert eraan dat Morsink inmiddels alweer voor andere feiten is voorgeleid voor de rechter-commissaris. “Misschien kunnen we tezijnertijd alles in één keer behandelen.”

“Wat vindt u ervan?” vraagt de rechter aan de verdachte. “Ik vind het prima.” “Maar dan komt hij voor de meervoudige strafkamer. Is dat in het voordeel van de verdachte?” vraagt de rechter zich hardop af. “Nee.” Dan weer tegen de verdachte: “Bent u het ermee eens dat we het nu behandelen?” “Waarom vraagt u dat?” snauwt de verdachte. “Het maakt toch niets uit.” Vriendelijkheid is niet meer aan hem besteed, goede bedoelingen stuiten af op het pantser van zijn wantrouwen. “Ik zal u verder zo weinig mogelijk meer vragen”, verzekert de rechter hem. Einde communicatie. Jammer eigenlijk, want achter de banale feiten van Morsinks carrière in de misdaad - hij staat nu voor de zoveelste maal terecht voor diefstal en inbraak - moet een onthutsend verhaal schuilgaan. Een verhaal dat illustreert dat de drugsmisère allang niet meer tot de grote steden beperkt is. Morsink komt uit een kleine Gelderse plaats en hij is pas 27 jaar.

“Waarom al die diefstallen?” vraagt de rechter. “Drugs?”

“Ja.”

“Hoe lang bent u al verslaafd?”

“Vijftien jaar.”

Misschien dringt de consequentie van dat antwoord niet tot de rechter door, misschien heeft hij de moed opgegeven verder te vragen. Maar de conclusie blijft schokkend: Morsink was twaalf toen hij verslaafd raakte.

“Blijft dat zo tot uw dood?” vraagt de rechter.

“Tja...”

“Het is doodzonde. U had tot voor een jaar nog werk.”

“Er spelen nog heel andere dingen mee”, ontwijkt de verdachte.

“Gebruikt u nog in de gevangenis?”

Morsink lacht kort en bitter. “Als er één gevangenis is waar dat niet kan, dan is het wel Vught.”

“Bevalt het u daar?”

“Ik ben van één kant blij dat ik opgepakt ben.”

“Gebeurt er in detentie iets aan uw verslaving?”

“Gespreksgroep.”

“Wat vindt u daarvan?”

“Prima.”

“Wat betreft uw strafblad”, zucht de rechter, “het barst van de veroordelingen.”

“Dat kun je wel stellen.”

Bij een kennis waar hij met zijn vriendin te gast was, had Morsink een videorecorder en een scanner ontvreemd. Hij had ze weggebracht en was nog diezelfde dag doodgemoedereerd teruggekeerd naar de nietsvermoedende eigenaar. Dat is een van de vijf feiten waarvoor hij nu terechtstaat.

“Behoorlijk brutaal”, meent de officier van justitie. “Hij is absoluut onbetrouwbaar. Zijn verslaving is daar debet aan. Hij is niet geïnteresseerd in de belangen van anderen. Ik zie niets in een voorwaardelijke straf, want hij gaat toch gewoon door. Ik eis drie maanden onvoorwaardelijk.”

Morsinks advocaat bestrijdt haar benadering. “Je kunt wel zeggen: hier zijn vijf strafbare feiten en nu de beuk erin: drie maanden, want hij is een hopeloos geval. Maar zó moeten we niet met het strafrecht omgaan. Ik wil er bovendien op wijzen - dat vind ik altijd belangrijk - dat de schade gering is: alle spullen zijn weer terug.”

“De materiële schade is inderdaad beperkt”, zegt de officier, “maar er is andere schade: mensen hebben hun goederen een tijdje moeten missen, er is inbreuk gepleegd op hun privacy.”

De rechter acht drie feiten bewezen, maar hij strijkt desondanks met de hand over zijn hart. “Wat betreft de straf kan ik ten dele meevoelen met het pleidooi van de advocaat. Je kunt zeggen: het is toch allemaal boter aan de galg. Maar die kant wil ik niet op, ofschoon ik het, plat gezegd, een klerestreek vind wat u uw kennis heeft geleverd.”

“Als u daar driemaal op visite was geweest, zou u me begrijpen”, onderbreekt de verdachte hem.

“Ik veroordeel u tot zes weken onvoorwaardelijke gevangenisstraf.”

Morsink draait zich, zonder te groeten, meteen om, geeft een nors knikje in de richting van zijn advocaat en loopt zijn bewakers tegemoet die hem bij de deur opwachten.

Om redenen van privacy zijn de namen van de betrokkenen gefingeerd, of weggelaten, uitgezonderd de namen van de rechter, de officier van justitie en de advocaat.