Bibliotheken vrezen opheffing Prisma-lectuurvoorlichting; "Met een pennestreek alles weg"

“Het bibliotheekbeleid is in zichzelf tegenstrijdig,” zegt de directeur van de Protestantse Stichting ter bevordering van het Bibliotheekwezen en de Lectuurvoorlichting in Nederland, te Voorburg. “Er wordt al jarenlang bezuinigd op de bibliotheken terwijl men intussen de mond vol heeft van sociale vernieuwing en leesbevordering. Nu treft de bezuiniging onze Stichting. Hup, met een pennestreek alles weg.”

In haar Notitie openbaar bibliotheekwerk, die 17 december in de Tweede Kamer behandeld zal worden, schrijft minister d'Ancona van WVC dat een groot deel van de activiteiten van de Protestantse Stichting, te weten voorlichting over het kerkelijk leven aan de bibliotheken en uitgaven op het gebied van kerkelijk werk, niet langer voor subsidie in aanmerking komen. Dat kan men in Voorburg wel begrijpen. Maar niet dat de Prisma-lectuurvoorlichting moet verdwijnen.

De minister schrijft over de Prisma-lectuurvoorlichting het volgende: “De op kwalitatieve oordelen gestoelde lectuurvoorlichting komt in beginsel wel voor rijkssubsidiëring in aanmerking. Het betreft immers een in het kader van de culturele taken van de openbare bibliotheken waardevolle informatie- en evaluatiefunctie, die de kwaliteit en de pluriformiteit van de collectie positief beïnvloedt.” “Dat klinkt heel gunstig,” zegt Kees van der Zwan, hoofdredacteur van Prisma-lectuurvoorlichting. “Maar we hebben 800.000 gulden nodig om te kunnen werken. Een paar regels verder staat dat er 300.000 gulden voor ons gereserveerd wordt. Voor dat bedrag kan het niet. Dat is toch in tegenspraak met wat de minister schrijft?”

Prisma-lectuurvoorlichting verzorgt korte recensies van boeken op allerlei terrein (o.a. theologie, natuur, literatuur, onderwijs en opvoeding, wijsbegeerte, beeldende kunst, hobby en vrije tijd, geschiedenis). Iedereen kan zich daarop abonneren, maar de openbare bibliotheken zijn de belangrijkste afnemers. Abonnees ontvangen per boek een kaartje waarop een korte samenvatting van de inhoud staat, een aanduiding van het niveau en dus van het publiek waar het voor bestemd is, eventueel een vergelijking met andere literatuur over het zelfde onderwerp en een stilistische en inhoudelijke beoordeling. De recensies worden geschreven door driehonderd deskundige medewerkers, die behalve het te bespreken boek geen beloning ontvangen. De Prisma-lectuurvoorlichting heeft geen levensbeschouwelijke signatuur.

Uit een vorig jaar gehouden enquête bleek dat 65 procent van de openbare bibliotheken gebruik maakt van de Prisma-recensies en dat zij zeer tevreden zijn over de kwaliteit ervan. De Prisma-kaartjes worden door de bibliotheken gelezen naast de besprekingen van de Lectuur Informatie Dienst van het NBLC (Nederlands Bibliotheek en Lectuur Centrum), globaal hetzelfde soort voorlichting maar minder uitvoerig. Uit de enquête bleek dat de bibliotheken de twee besprekingen als een aanvulling op elkaar beschouwden die beide van belang zijn bij de overwegingen om een boek al of niet aan te schaffen.

Het voorstel van de minister is dat het NBLC de Prisma-lectuurvoorlichting overneemt, omdat zij in de toekomst de bibliotheken nog maar via één landelijke organisatie wil aanspreken: het NBLC. Voor die overname stelt zij echter vijf ton te weinig ter beschikking. “Wij hebben allerlei mogelijkheden overwogen, maar je zou toch een tariefsverhoging voor de Prisma-recensies niet kunnen vermijden,” zegt de heer E.S. Duijker, sectordirecteur Centrale Dienstverlening van het NBLC. “Aangezien de bibliotheken door de bezuinigingen alleen maar minder geld te besteden hebben is dat niet haalbaar. Het is wel jammer, een second opinion zoals Prisma die gaf is van groot belang bij de collectievorming. Dat werd ook door de bibliotheken erg op prijs gesteld.”

Verschillende instanties, waaronder de Koninklijke Nederlandse Uitgevers Bond en de Vereniging voor Letterkundigen hebben de minister gevraagd van haar voornemens met betrekking tot de Prisma-Lectuurvoorlichting af te zien. In Voorburg is men echter al begonnen met de liquidatie, om te voorkomen dat men op 1 januari 1992 nog in vol bedrijf is maar geen cent meer ontvangt. De recensenten ontvingen dezer dagen een brief met de mededeling dat het einde van hun werkzaamheden in zicht was, boeken worden teruggestuurd en de uitgeverijen die recensie-exemplaren stuurden zijn ingelicht dat het niet meer hoeft. “Het is een enorme vernietiging van de kennis en goodwill die in jaren is opgebouwd,” zegt Van der Zwan. “Alleen de Tweede Kamer kan ons nog redden.”