Rembrandts komen uit het piepschuim

AMSTERDAM, 2 DEC. Er hangt een krachtige verflucht in het Rijksmuseum en aan de voeten van de badende Hendrickje Stoffels ligt een ragebol. Het is een week voor de opening van de grote Rembrandt-tentoonstelling. Aan de pas geverfde en pas bespannen wanden zijn kleurenreprodukties met spelden vastgezet. Hier komt de Ganymedes, daar het landschap uit Dublin. En daar hangt zowaar al het zelfportret uit het Mauritshuis in het echt, ietwat uit het lood, maar, zo verneem ik, geen schilderij heeft vier rechte hoeken.

Timmergereedschap, stofzuigers, lege blikjes cola, flesjes met glasreiniger en lange met molton dekens beklede schragen. De avond tevoren is het zoveelste transport uit Berlijn aangekomen. In lange ritten worden de 83 schilderijen en 40 prenten en tekeningen per vrachtwagen aangevoerd uit Berlijn. Telkens een groep van zo'n tien tot twintig "Rembrandts', verpakt in speciaal ontworpen houten en aluminium kisten. Op vele ochtenden achter elkaar geven deze kisten hun inhoud prijs, waarna het werk wordt opgehangen.

Elke ochtend dromt een groepje inrichters om de kisten. De conservator schilderijen Wouter Kloek, de schilderijenrestaurateur, de lijstrestaurateur, enkele technische en logistieke assistenten, een conservator van het museum dat eigenaar is, en een conservator van de National Gallery in Londen, die het inpakken in Berlijn van minuut tot minuut heeft bijgewoond en nu de omgekeerde handelingen volgt. Hij zal de panelen en doeken uiteindelijk inspecteren op beschadigingen. Dit legertje onderhoudt zich met luchtige grappen in het Nederlands, Duits en Engels in afwachting van de heren die het handwerk zullen verrichten: de emballeurs.

Was de sfeer er in alle vroegte een van een toneelzaal in opbouw, nu verandert die in de spanning in een operatiekamer. Wanneer de emballeurs binnenmarcheren, gekleed in stofjassen en op gymschoenen, dempen de stemmen. Er klinken enkele aanwijzingen en het oog valt op een van de kisten. Langzaam wordt die gekanteld. Er valt een stilte die abrupt wordt verstoord door het gekerm van elektrische schroevedraaiers waarmee de moeren van de kist worden losgedraaid. Dan wordt, behoedzaam als van een sarcofaag, het deksel gelicht.

Er is niets te zien, een kartonnen plaat dekt het schilderij af, maar voordat die verwijderd kan worden moeten er polaroïdfoto's worden gemaakt. Rembrandt is comfortabel ingebed op een schuimrubber matrasje, tussen piepschuim en stoffen kussentjes, vastgezet met wiggen en klemmetjes en lekker ingestopt met plastic. Stuk voor stuk wordt dit weggetrokken, losgeschroefd en opgelicht en elk van die handelingen komt op de foto als bewijs van een goede aankomst en als voorbeeld voor het inpakken over twee maanden. Wanneer eindelijk het schilderij is blootgelegd, volgen opnieuw enkele seconden stilte en dan de verzuchting "mooi', "ahh' en "schön'. Of stil geknik.

Pag 6:

'Rembrandt net zo behandelen als een mooie klok'

Minstens twee, maar meestal meer paar handen tillen vervolgens het schilderij uit de kist en leggen het op een van de schragen. Ogenblikkelijk buigen de conservatoren zich over het oppervlak. Ze speuren het af op eventuele scheurtjes, barstjes in het oppervlak en op verschuivingen ten opzichte van de lijst. Dat oppervlak is als een landschap: de ene keer spiegelglad, dan weer vol craquelures. Het ene schilderij is fris en helder, het andere gelig. Werk uit Dresden en Leningrad kenmerkt zich door een morsige waas die te boek staat als "Oostblokrestauratie'. Schilderij en lijst worden vergeleken met een fotokopie waarop de al aanwezige beschadigingen staan genoteerd. Vooral de lijst van het doek draagt de sporen van vele omzwervingen: etiketten, niet zelden nog uit de vorige eeuw, oude schroefgaten en haakjes, aantekeningen in krijt, stickers van transportfirma's.

Opvallend zijn de vele verschillen in transporteisen. De ene eigenaar wenst het werk in een klimaatkist, waar de temperatuur en de relatieve vochtigheid constant blijven, de ander vindt dat niet nodig. Het ene museum laat het schilderij apart van de lijst vervoeren, voor andere betekent de lijst juist een zinvolle bescherming. Sommige eisen dat de schroefogen los worden verpakt, andere dat die juist op hun plaats blijven.

De Apostel Thomas uit Kassel is enkele jaren geleden met zuur overgoten. Dat is de reden dat de eigenaar het nu alleen met glas ervoor wil tonen. Wanneer er geen bijzonderheden zijn waar te nemen, wordt een serie formulieren afgetekend, het Conservation Report and Diary en het Transportprotokoll, het verpakkingsrapport en een formulier van het Rijksmuseum zelf. Daarna wordt het schilderij voorlopig tegen de muur gezet op schuimrubberen strips in afwachting van het zogenaamde 'hangen' conform het 'hangplan'.

Rembrandt heeft nooit een tentoonstelling gehad. In zijn tijd waren er geen musea en geen galeries. Het is ondenkbaar dat hij aan het eind van zijn leven zijn oeuvre bij elkaar heeft kunnen zien. Wist hij aan het eind van zijn leven, in 1669, nog hoe hij veerig jaar geleden zichzelf geschilderd had, of hoe de gelaatstrekken van die jonge vrouw uit 1632 er uitzagen, of hoe hij het licht op de hand van dominee Anslo had laten vallen? Wat wij binnen vijf minuten kunnen, namelijk Rembrandts ontwikkeling over vijftig jaar volgen, door in een van de vele monografieën over zijn werk te bladeren, was voor hem niet mogelijk. In zijn tijd bestonden er geen reprodukties van zijn werk. Alleen het geheugen kon hem helpen.

Rembrandt zou heel goed een overzichtstentoonstelling in zijn eigen hoofd hebben kunnen organiseren. Het voordeel daarvan was dat hij al het werk voorhanden had en een onbeperkte ruimte. Gratis toegang en geen sluitingstijd. Hoe zou dit enige echte Rembrandtmuseum er hebben uitgezien? Naar onze maatstaven gemeten waarschijnlijk donker, omdat de huizen donker waren. En met een zwaar accent op de bijbelse en mythologische taferelen. Daarom was het uiteindelijk in de edele schilderkunst te doen. En waarschijnlijk mocht de toeschouwer niet te dichtbij komen. Dat heeft hij tenminste van een van zijn schilderijen zelf gezegd.

Niet alleen heeft elke generatie zijn Rembrandtbeeld, zijn Rembrandtcorpus, maar ook zijn Rembrandt-tentoonstelling. De directeur van de afdeling schilderijen, Pieter van Thiel, schetst nuchter hoe deze selectie tot stand is gekomen. Het oorspronkelijke idee stamt uit Berlijn, waar men na de afschrijving van de Man met de gouden helm behoefte voelde aan een nieuw Rembrandtbeeld. “Op een zondagmiddag heb ik Bredius op schoot genomen en ben ik gaan aanstrepen: die wel en die niet. We wilden de hele periode bestrijken en in de eerste plaats de historieschilderkunst en in de tweede plaats de portretten aan bod laten komen. De vroege periode is dan ook beter vertegenwoordigd dan op eerdere tentoonstelingen. Bovendien was het uitgangspunt dat elk van de organiserende musea in Berlijn, Amsterdam en Londen zes bruiklenen zouden afstaan, waarvan één die nooit de deur uitgaat. Dat gaf al een basis van achttien schilderijen. Er vielen ook schilderijen af omdat vaststond dat die nooit zouden worden uitgeleend, of omdat zo'n verzoek gevoelig ligt. Je moet nooit iets vragen wat jezelf ook niet zou uitlenen. Zo hield ik een voorraad over van zo'n zestig stuks. Met Berlijn en Londen ben ik die lijst nog een keer gaan doornemen. En zo is de definitieve keuze tot stand gekomen: 51 Rembrandts die te zamen het consistente beeld vormen van een op hoog niveau werkende schilder. Daaraan zijn 31 schilderijen toegevoegd die tot voor kort aan hem waren toegeschreven, maar die nu een andere naam dragen. Flinck is de beste, Bol de handigste en Fabricius de begaafdste.”

De Rembrandts zijn ruim chronologisch opgehangen in gerenoveerde zalen. De zalen hebben een verschillende atmosfeer doordat de wanden respectievelijk zwartgrijs, rood, blauw en groen zijn. De laatste zaal is gewijd aan de afgeschreven werken; ze hangen er dicht opeen. Het 'hangplan' is al lang van te voren vastgesteld. En de emballeurs moeten geëscorteerd door hetzelfde groepje dat bij het uitpakken aanwezig was, elk schilderij naar de betreffende zaal brengen, met de hand of, zoals de Staalmeesters, per vorkheftruck. Ondanks de vele aanwezigen is het een ordelijke rustige gang van zaken die zich 82 maal herhaalt. “Je moet niet zenuwachtig worden”, zegt Wouter Kloek. “Je moet een Rembrandt of een Vermeer precies zo behandelen als een mooie klok. Zodra iemand ingewikkeld in de weer is, gaat het mis”.

En daar gaat de Man in wapenrusting uit Glasgow de lucht in. Eerst scheef, tegen een kervers geschilderde wand, aan roestvrij stalen hangijzers. Dan wordt hij gecorrigeerd. Zo zie je Rembrandt nooit, zo kaal tegen een wand. Op de laatste dag komen er roestvrij stalen hekjes en tekstbordjes met titels in zes talen en lessenaartjes met een toelichting. Een strakke opstelling, sober, en onmiskenbaar van deze tijd.

Toch blijf ik me afvragen hoe hij het zou hebben gedaan.