Ontwikkelingshulp is maskerspel; Wat donor mislukt project noemt, kan ontvanger geslaagd vinden; Ontwikkelingshulp is gekoppeld aan de macht van het geld en de macht van het geld wordt geïdentificeerd met het recht van interventie

Het is de hoogste tijd ons langzamerhand eens af te vragen of er niet iets fundamenteel mis is met het door onszelf ontworpen financieringsmechanisme dat ontwikkelingssamenwerking stuurt. Wat Derk-Jan Eppink en Floris van Straaten "ongecontroleerd hobbyisme' noemen (NRC Handelsblad, 16 november), gaat veel verder dan gebrek aan controle door de Nederlandse Rekenkamer. Het komt voort uit de onderhuids nog altijd aanwezige Rostow-visie dat "ontwikkelingslanden' zich pas goed "ontwikkelen' als zij de Westerse weg volgen. Financiering wordt slechts gegeven wanneer ontwikkelingsinitiatieven voldoen aan de criteria die de donor zichzelf en anderen heeft gesteld. Hoewel dit bij hoog en laag wordt ontkend en de meest prachtige termen van gouvernementele en particuliere beleidsnota's - tot het Lomé-Verdrag toe - het tegenovergestelde willen doen geloven, bewijst de praktijk van ontwikkelingssamenwerking dat donors de agenda bepalen van de ontwikkelingsinstanties in het Zuiden, of dit nu regeringen, kerken, NGOs, boerenbewegingen of vrouwenorganisaties zijn. Donors nemen immers uiteindelijk een besluit over welke zaken wel en welke niet worden gefinancierd. Die keuze wordt bepaald door het cultureel referentiekader van de desbetreffende donor. Wat deze verstaat onder vooruitgang, armoede, democratie, bevrijding, emancipatie, gerechtigheid, mensenrechten, participatie, kortom "ontwikkeling', bepaalt wat als waarde-vol en dus kredietwaardig wordt geaccepteerd. Het probleem is niet dat dit uit kwade wil gebeurt, maar omdat dat men zich er vaak niet van bewust is in welke opzichten de eigen visie cultureel bepaald is. Ontwikkelingshulp is gekoppeld aan de macht van het geld en de macht van het geld wordt geïdentificeerd met het recht van interventie. Deze interventie is gericht op veranderingen van de situatie van lokale bevolkingsgroepen in een richting die de donor zinvol acht. De ethische vraag waarop dat recht eigenlijk is gebaseerd, is vooralsnog onbeantwoord gebleven.

Eén van de belangrijkste redenen dat een groot percentage van ontwikkelingsprojecten mislukt, is dat zij projecties zijn van de ideeën en de belangen van degenen die interveniëren en die daarbij trachten hun manoeuvreerruimte zo groot mogelijk te houden. Dit is één van de kenmerken van de cultuur van de macht die overigens evenzeer door buitenlandse donors als door lokale machthebbers wordt uitgeoefend. Een bijkomend probleem is dat deze ideeën en belangen vaak zeer tegenstrijdig zijn en "de basis' tot speelbal van deze strijd wordt gemaakt.

Interessant is echter dat deze interventies vaak niet lukken. Want niet alleen Noorderlingen achten zich in staat over de situatie in andere samenlevingen te oordelen, ook mensen in de ontwikkelingslanden blijken in staat onze ideeën over "ontwikkeling' op hun waarde te schatten. Dankbare ontvangers van materiële hulp blijken grotendeels stille weigeraars te zijn van cultuurvreemde ideeën uit de "ontwikkelde' wereld.

Het ontwikkelingsdenken en doen in de afgelopen decennia is grotendeels voorbijgegaan aan de meest in het oog springende realiteit in andere continenten: de culturele diversiteit van de oplossingen die de mensheid door de eeuwen heen heeft gevonden voor de uitdagingen die de natuurlijke en sociale omgevingen haar stelt en welke zin geven aan haar denken, handelen en bestaan.

Mensen in de niet-Westerse wereld zijn door ons gedefinieerd als de "have-nots', in termen van wat zij niet hebben en wij wel hebben (geen beschaving, geen christelijk geloof, geen industrie, geen economische groei, geen technologie, geen ontwikkeling, enzovoorts). Zij zijn niet benaderd in termen van wie zij zijn en zouden willen zijn. Tegen dit dreigende verlies van identiteit bieden mensen weerstand met gebruikmaking van hun eigen arsenaal van mogelijkheden. Uit beleefdheid of eigenbelang wordt zelden openlijk nee tegen een project gezegd. Men "participeert', echter niet zozeer om de doeleinden van de bemiddelaar te realiseren, maar door de beoogde doeleinden van een project om te buigen naar eigen prioriteiten; door gebruikmaking van projectmiddelen voor cultureel bepaalde vormen van "sociale zekerheid' die de eigen gemeenschap biedt; door gebruik te maken van technieken ter "rationalisatie' van de landbouw in wat volgens de eigen cultuur toelaatbaar is in relatie tot de natuur; door aanpassing van projectdoelstellingen aan de risico's die men in het kader van de machtsrelaties in de eigen samenleving al dan niet kan nemen. Op deze wijze oefent het Zuiden ondanks zijn afhankelijkheid "controles' uit op het "hobbyisme' van het Noorden.

Een analyse van de vragen waarop de meeste evaluaties van ontwikkelingsprojecten zijn gebaseerd, laat zien dat dit vragen zijn die de donor uit zijn eigen cultureel referentiekader aan zichzelf en aan de ontvangers van hulp stelt: is wat ik zinvol acht, met mijn geld bereikt? Het antwoord is in vele gevallen twijfelachtig, hetgeen leidt tot oppervlakkige conclusies als die van Eppink en Van Straaten, dat het project dus "is mislukt'. Indien haalbaarheidsstudies en evaluaties van ontwikkelingsprojecten zouden zijn gebaseerd op vragen die de ontvangers van hulp aan zichzelf en aan ons stellen, zouden projecten wel eens een andere vorm kunnen krijgen en het oordeel van direct betrokkenen ook anders kunnen uitvallen. Wat verstaan zij zelf onder ontwikkeling, wat zien zij als barrières daarvoor, wat zijn hun eigen prioriteiten, welke kennis en ervaring hebben zij zelf beschikbaar, hoeveel tijd denken zij zelf nodig te hebben, welke bedoelingen hebben zij zelf met hulp van buitenaf. Indien "bewustwordingsprojecten' waar particuliere organisaties veel steun aan geven, dit beogen, zijn zij wel degelijk van belang.

Het kwalijke aspect van het interventionistische karakter van ontwikkelingssamenwerking is, dat in deze relatie wel de economische, sociale en politieke situatie van de ontvangende landen en het doen en laten van hulpontvangende organisaties ter discussie staat, maar niet die van de donor. Dit is de kern van de holheid van het veelgebruikte begrip "partnership'. In de Noord-Zuid relatie stellen Noorderlingen zich in het algemeen op als mensen zonder behoeften die weinig of niets van het Zuiden te leren of te ontvangen hebben. En dit geldt eveneens voor de relatie tussen West- en Oost-Europa. Alsof het gepropageerde ontwikkelingsmodel geen gigantische ecologische en sociale problemen tot gevolg heeft, niet in de laatste plaats omdat het geen dwingend principe van zelfbeperking kent. Dit feit en deze opstelling stimuleren in het Zuiden niet zozeer een houding van respect als wel van plukken wat er te plukken valt.

Ontwikkelingssamenwerking is geen samenwerking zolang deze relatie niet bestaat uit werkelijke wisselwerking tussen de samenwerkende partijen. Die moet gericht zijn op verandering van onrechtvaardige situaties in beider omgeving. Daarbij is het onontbeerlijk tijd te nemen voor gezamenlijke analyse van cultureel bepaalde visies op

problemen en van cultuurbepaalde wijzen van omgaan daarmee.

Daar al deze samenlevingen deel uitmaken van dezelfde mensheid die een onvoorstelbare creativiteit en diversiteit vertoont in het oplossen van problemen, is het een zaak van welbegrepen wederzijds belang ontwikkelingssamenwerking op te vatten als een wederzijdse verrijking en als een gezamenlijke verantwoordelijkheid voor een menswaardige en de natuur respecterende ontwikkeling van zowel het Zuiden als het Oosten als het Noord-Westen.

Minister Pronk heeft in zijn nota "Een wereld van verschil' een uitstekend hoofdstuk opgenomen over cultuur als basis voor duurzame ontwikkeling. Het zal onder meer van de mentaliteit van uitvoerders van dit basisprincipe afhangen of het maskerspel dat ontwikkelingshulp kenmerkt, plaats maakt voor samenwerking bij problemen van zowel onze als andere samenlevingen die dringend om oplossingen vragen.