Moerman-onderzoek is schadelijk voor kankerpatiënt

De onderzoekers van de Moermanvereniging die de effectiviteit van de Moermantherapie onderzochten, hebben 384 patiënten gevonden van wie de afgelopen vijftig jaar werd beweerd, of die zelf meenden, dat ze dank zij de Moermantherapie van kanker zijn genezen. Na nauwkeurige inspectie bleven er vijfendertig opzienbarende ziektegeschiedenissen over - eenentwintig van die patiënten zouden hun genezing uitsluitend aan de Moermantherapie te danken hebben. Spontane genezing wordt door de onderzoekers uitgesloten geacht. De onderzoekers concluderen daaruit dat kankerpatiënten door de Moermantherapie kunnen genezen.

Dat is ook het antwoord op hun centrale vraag: zijn er kankerpatiënten door de Moermantherapie genezen? Op grond van hun volmondig "ja' wensen de onderzoekers verder onderzoek en opname van de therapie in het ziekenfonds. Maar hun wens is ongegrond. Verder onderzoek naar het genezend effect is zinloos en ongewenst. De Moermantherapie hoort niet in een basisverzekering. Maar wat erger is: de onderzoekers hebben met hun vraagstelling geen recht gedaan aan de mogelijke waarde van de Moermantherapie.

Vanaf 1978 hebben de onderzoekers uit de Moermankring zich veel moeite getroost gegevens van genezen patiënten op te sporen. Artsen, patiëntenvereniging, WVC en de media werden daarvoor ingeschakeld. Het rapport doet er verslag van. In al die jaren moeten ze dus het merendeel van alle successen zijn tegengekomen. De onderzoekers wagen zich na hun speurtocht vreemd genoeg niet aan een schatting van het succespercentage. Dat is vreemd, want een als genezend geafficheerde therapie mag alleen op ruime schaal worden toegepast als er meer mensen beter van worden dan van geen therapie, of van een bestaande therapie met bewezen effecten. Omdat de onderzoekers het rekenwerk achterwege lieten, moeten buitenstaanders dat doen.

De afgelopen vijftig jaar overleden in Nederland ruim 1,1 miljoen kankerpatiënten. De Moermanartsen claimen in die periode eenentwintig patiënten met zekerheid te hebben genezen en hun therapie biedt dus een genezingskans van 0,002 procent. We schenken Moerman het moeilijk te berekenen aantal mensen dat in die periode kanker heeft gekregen, maar er niet aan is overleden. De kans op genezing door Moermantherapie zou er ongeveer een kwart lager door liggen.

In het rapport van de Moermanonderzoekers wordt geen statistiek gebruikt om het eigen succes uit te rekenen, maar er worden wel cijfers genoemd om aannemelijk te maken dat de genezen patiënten die Moermantherapie volgden hun leven niet aan spontane genezing hebben te danken. Ziektegeval één verhaalt van een man met een bepaalde longmetastase. De kans op spontane regressie wordt daarbij op 0,1 procent geschat. Een honderdmaal grotere kans dan de die op genezing door Moermantherapie! Het rapport concludeert dat de Moermantherapie wel de oorzaak is geweest van de regressie. Een betere conclusie is echter: u kunt honderdmaal beter spontane regressie afwachten dan aan Moermantherapie beginnen.

Dit jaar wordt bij vijftigduizend mensen kanker geconstateerd. Met de Moermantherapie zullen dus ieder jaar twee mensen kunnen worden gered. De reguliere kankergeneeskunde haalt momenteel een succespercentage van veertig procent. Over kwaliteit van leven hebben we het hier nog niet: het rapport van de Moermanaanhangers legt de nadruk op genezing.

Toegegeven, niet alle nieuwe kankerpatiënten volgen de Moermantherapie, terwijl naar schatting negentig procent een reguliere behandeling ondergaat. Uit een recent proefschrift van N. van der Zouwe blijkt dat negen procent van de kankerpatiënten een alternatieve behandeling krijgt en dat zes procent er ooit één volgde. De Moermantherapie is de bekendste alternatieve behandeling, dus stel dat tien procent van de nieuwe patiënten de therapie probeert. Stel ook dat alle kankerpatiënten de Moermantherapie gaan volgen. Dan komen we op twintig geredden per jaar. Om één persoon te redden zouden 2.500 mensen moeten worden behandeld. Die verhouding tussen moeite en opbrengst ligt zo absurd scheef dat er geen denken aan is dat de Moermantherapie ooit voor genezing kan worden gepropageerd. Het succespercentage in de reguliere kankerbehandeling ligt tweeduizend maal hoger.

De Moermantherapie is dus ondoelmatig en verdient het niet in het ziekenfonds te worden opgenomen. Kamerleden hebben vanaf 1955 om onderzoek naar de Moermantherapie gevraagd, maar dat is er door tegenwerking van zowel reguliere artsen en instanties als Moermanartsen nooit van gekomen. In hun onderzoek tonen de Moerman-aanhangers nu aan dat zo'n onderzoek ook geen zin heeft. Er is geen bruikbare hypothese voor een nader onderzoek naar het genezend effect van de Moermantherapie op te stellen. Om een genezingskans van ongeveer 0,02 procent statistisch te kunnen bevestigen, zouden jarenlang alle uitbehandelde kankerpatiënten aan een onderzoek moeten deelnemen. Het is onethisch om "maagdelijke' patiënten aan zo'n behandeling op te offeren. De alternatieven worden daarmee niet gediscrimineerd. Ook nieuwe reguliere therapieën worden eerst op uitbehandelde kankerpatiënten geprobeerd.

Maar er zit nog een andere kant aan het verhaal: die van de naderende dood. Van de jaarlijks vijftigduizend nieuwe kankerpatiënten zullen er dertigduizend binnen een paar jaar sterven. Die hoge sterfte zal nog jaren aanhouden. Preventie is het beste middel tegen vermijdbare kanker en stoppen met roken is het meest effectief. Maar het gevolg is pas op lange termijn merkbaar, want veel van de gezwellen die in het jaar 2000 worden ontdekt, groeien nu al. Bij de behandeling zullen wel succesjes worden geboekt, maar belangrijke doorbraken zijn niet te verwachten.

Tijdens de vaak langdurige reguliere behandeling komen arts en patiënt in een kringloop terecht waarin de strohalmen steeds dunner worden, maar toch worden gegrepen. Vervolgbehandelingen bieden steeds minder kans op genezing omdat er steeds meer cellen groeien die resistent zijn tegen chemotherapie of bestraling. Op het grote tweejaarlijkse Europese oncologiecongres eind oktober in Florence, was de kritiek op agressieve behandelingen die niet meer op genezing maar op verlenging van het leven waren gericht niet van de lucht.

Veel reguliere behandelaars moeten nog leren de kwaliteit van het resterende leven meer aandacht te geven. En op dat punt kunnen ze wat leren van alternatieve behandelaars.

In die laatste levensfase blijken alternatieve therapieën, gecombineerd met reguliere pijnbestrijding en hulp bij complicaties, de patiënt veel steun te kunnen geven. En een patiënt met een doel in het leven (bijvoorbeeld overleven en het eigen lichaam zo sterk mogelijk houden) die gedwongen is zich wilskrachtig te gedragen, houdt de ongelijke strijd vaak langer vol dan een patiënt die zich door de artsen opgegeven voelt en thuis op de dood gaat liggen wachten. Het heeft dus zin om als laatste strohalm een hoopvolle mythe aan te bieden. Vanaf nu worden we echter belast met de zekerheid dat de patiënt net zo goed op spontane genezing kan wachten. De Moermantherapie is geen mythe meer. De Moerman-onderzoekers hebben de kankerpatiënten een slechte dienst bewezen.

S. de Graaf e.a. (red.). Retrospectief onderzoek naar de effectiviteit van de Moermantherapie bij kankerpatiënten.