"Kwaad worden over iets dat slecht of lelijk is'; R. de Wit vertrekt als commissaris van koningin N-Holland; "Waar ik in geloof is dat het persoonlijke ook politiek is'

In het zicht van zijn naderende afscheid trekt drs. R. de Wit, commissaris van de koningin in Noord-Holland op directe wijze van leer tegen de bouw van een wolkenkrabber aan de rand van Amsterdam. Het aangezicht van de hoofdstad en de omgeving wordt in toenemende mate bepaald door gebouwen die niet in de schaal van het Nederlandse landschap passen, zo meent De Wit. De stad dreigt volgens hem zijn greep op de ruimtelijke ordening te verliezen.

AMSTERDAM, 2 DEC. Samen studeerden ze, hij en zijn vrouw. Samen waren ze actief in de PvdA-afdeling van de wederopbouwwijk Geuzenveld-Sloterdijk. Samen discussieerden ze in Politeia. Zijn moeder zong in de Stem des Volks. Haar vader hield lezingen voor het Instituut voor Arbeidersontwikkeling. “Ik zie ons nog staan schilderen: "Natuurlijk weer Drees!' ”

Volgend jaar april vertrekt Roel de Wit (64) na ruim vijftien jaar als commissaris van de koningin van Noord-Holland. De Wit lijkt de bescheiden-statige sfeer van het neo-klassieke provinciehuis in Haarlem in de loop der jaren enigszins te hebben overgenomen. “Ik ben niet zo'n opgewonden standje,” zegt hij, en hij somt ambtelijk een aantal interesses en functies op - hij is onder andere bioloog, sinds 1965 lid van de Raad van Advies voor de Ruimtelijke Ordening en voorzitter van twee stichtingen voor natuur-reservaten. Maar dan opeens kan De Wit uit zijn slof schieten: over landschapsverpestende torens, over de drankcultuur in "zijn' PvdA, over Nieuw Links, en nu zijn vertrek nadert wordt zijn kritiek voor een commissaris ongebruikelijk direct en fel: “Ik kan me vreselijk kwaad maken over iets dat slecht of lelijk is.”

Dat gebeurt bijvoorbeeld als hij begint over de Larmag-toren. Twee maanden geleden besloot de Amsterdamse gemeenteraad om projectontwikkelaar Larmag van de Zweedse onroerend-goedmagnaat Magnusson toe te staan aan de rand van Amsterdam een wolkenkrabber van tweehonderd meter hoog te bouwen. Een besluit dat volgens De Wit niets meer met verantwoorde ruimtelijke ordening van doen heeft. “Neem bijvoorbeeld de televisietoren naast het NOB-complex in Hilversum. Die domineert in belangrijke mate het gezicht van de Gooise hei. Je hebt daar een soort illusie-landschap: als je over die hei fietst dan heb je het idee dat het een natuurgebied is, terwijl er 200.000 mensen in het Gooi wonen. Die illusie is waardevol en wordt op een gigantische wijze verstoord door een zo'n heel lelijk, hoog ding.”

Datzelfde, zo vreest De Wit, gaat gebeuren in een wijd gebied rondom de Larmag-toren: het polderlandschap aan weerszijde van het Noordzeekanaal, het recreatiegebied Spaarnwoude en niet te vergeten het duingebied. Het Larmag-besluit moet overigens nog door de provincie worden goedgekeurd, in tegenstelling tot een andere toren van 125 meter, bij de Omval aan de Amstel, die er wel definitief komt. De Wit, grimmig: “Die zal dus een heel stuk van de historische binnenstad gaan domineren omdat hij precies in de zichtas van de grachtengordel ligt.”

Door nu ook in te stemmen met de bouw van de Larmag-wolkenkrabber dreigt Amsterdam volgens De Wit de greep op de stadsontwikkeling te verliezen. Het feit dat de gemeente financieel enigszins in de tang zat doet daar volgens hem niets aan af: “De gemeenteraad had de koninklijke weg moeten bewandelen: onteigening. Dit is echt een omslag. In het structuurplan van Amsterdam wordt rond de binnenstad een bouw tot negentig meter toegestaan. Het stadsbestuur heeft dus een poging ondernomen om een ordening aan te geven. En daar wordt dan met een incidentele beslissing doorheen geschoten, waarbij deze bouwhoogte maar liefst verdubbeld wordt. Dat krijgt een heel vervelende precedentwerking en dat praten ze me niet uit mijn hoofd.”

De scheidende commissaris geldt als een overtuigd sociaal-democraat van de oude stempel. Zijn carrière liep via de provinciale staten en de Amsterdamse gemeenteraad, een wethouderschap in Amsterdam en het burgemeesterschap van Alkmaar tot zijn huidige ambt.

Hij en zijn vrouw Cornelie de Wit-in 't Veld waren altijd nauw betrokken bij de partij, altijd samen - “Een groot geluk, ja, een groot geluk.” Maar nooit traden ze erg op de voorgrond in het debat. De Wit: “Als de partij van de arbeid mij roept dan doe ik mee. Maar niet zoals al die zogenaamde vooraanstaande partijgenoten, die zich vooral manifesteren met statements in de media. Ik zou het veel aardiger vinden als men gewoon eens wat meer zijn afdelingsvergadering bezocht en zijn verhaal daar hield.”

Als loyaal lid heeft De Wit de vernieuwing van de partij in de jaren zestig en zeventig gelaten over zich heen laten komen. De vriendengroep uit de jaren vijftig die verkiezingsborden beschilderde maakte plaats voor een vechtcultuur waar De Wit met weinig plezier aan terugdenkt: “Met name met de hele opkomst van Nieuw Links, waar nu vaak zo dierbaar over wordt gedaan, werd de sfeer in de PvdA aanzienlijk verknoeid.” Als Amsterdams wethouder zag hij de sfeer verharden en een groot aantal mensen de partij verlaten.

De Wit werd in 1970 burgemeester van Alkmaar en kwam daarmee in rustiger vaarwater. Zelf bestuurder bij uitstek, moest hij met lede ogen toezien hoe de PvdA gedurende het kabinet Den Uyl de filosofie van “aktiepartij” omarmde, een woord dat de commissaris nog steeds slechts met enige moeite over de lippen lijkt te krijgen. Volgens De Wit een strategische en tactische misser die de partij duur is komen te staan.

“Een belangrijke oorzaak dat er geen tweede kabinet Den Uyl is gekomen is dat de PvdA niet kon omgaan met haar succes. Mijn vrouw en ik hebben ons geweldig opgewonden over de risico's die de PvdA liep. In '76, ik was toen net benoemd als commissaris van de koningin, heb ik herhaaldelijk gewaarschuwd: pas op dat we ons er niet uit laten manoeuvreren. In '77 zag ik het gebeuren. Ik heb toen herhaaldelijk gebeld met Aad Kosto die toen mijn districtskamerlid was en ook met Joop. Ik was er erg door aangeslagen.”

Dat de PvdA zijn geweldige verkiezingszege in 1977 niet wist om te zetten in een tweede regeerperiode is een historische fout geweest die over vijftig jaar nog als zodanig in de geschiedenisboekjes zal staan, aldus De Wit. De PvdA verspeelde de kans om als natuurlijke regeringspartij duurzaam het politieke krachtenveld te beheersen. “Die rol werd het CDA in handen gegeven. Door dogmatisme en een verkeerde polarisatie-strategie heeft de PvdA zich op sleeptouw laten nemen. Als ik ergens emotioneel over ben dan is het hierover.”

Maar de tijden keren ten goede, meent De Wit. “Er is op dit moment duidelijk weer een terugkeer naar de basiswaarden. Ik heb minder problemen met de discussies die nu in de partij plaatsvinden dan in de tijd toen Nieuw Links de macht greep. Toen voelde mijn vrouw en ik ons nauwelijks meer thuis. ” De Wit voelt zich dan ook zeer aangesproken door de kandidatuur van Felix Rottenberg als nieuwe partijvoorzitter. Diens eerste presentatie in het oude gebouw van de Amsterdamse diamantbewerkersbond raakte een gevoelige snaar bij de commissaris. “Ik ken hem persoonlijk niet, maar ik heb daar veel vertrouwen in. Een combinatie van nuchterheid en bevlogenheid, dat spreekt mij aan.”

Het vertrek van De Wit valt juist in een periode waarin de bestuurlijke organisatie van Nederland volop in beweging is. De gemeente Amsterdam splitst zich op in deelraden, in Rotterdam is men ook met een decentralisatieproces bezig, en tegelijk beginnen rond de grote steden regionale samenwerkingsverbanden te ontstaan rond zaken die de gemeentegrens overschrijden, zoals het openbaar vervoer, de energievoorziening en het ontwikkelen van grote woningbouw- en bedrijfslocaties. In een aantal gevallen zullen die het karakter van een nieuwe regionale bestuurslaag gaan krijgen. Ook het idee van een superprovincie in de Randstad staat ter discussie.

Kortom: het staatsrecht is op dit moment volop in beweging, en dat is volgens De Wit een logische gang van zaken. De commissaris: “Dat proces kun je niet in uniforme regels vastleggen. In de ene regio kunnen samenwerkingsverbanden heel anders zijn, dan in de andere.” Daarom is volgens hem die uniformering in het begin van de jaren tachtig ook volkomen mislukt. De Wit: “We moeten ervan uitgaan dat het bestuur in Nederland een meer uiteenlopend gezicht zal gaan krijgen.”

Een belangrijk samenwerkingsverband in Noord-Holland is het regionaal overleg Amsterdam (ROA), dat in de toekomst een aantal bevoegdheden van de aangesloten gemeentes, maar ook van de provincie moet overnemen. Op die manier ontstaat een nieuwe bestuurslaag, die op een aantal terreinen de besluitvorming van provincie en gemeentes overneemt. Het CDA, vanouds sterk in de kleinere gemeentes buiten de grote steden, verzet zich echter sterk tegen dergelijke constructies. Men wil geen zogenaamde een vierde bestuurslaag naast het Rijk, de provincie en de gemeente. Ten onrechte meent De Wit. “Met het aanroepen van de bezweringsformule ,Er zij geen vierde bestuurslaag' is de discussie jarenlang verpest.” Hij wijst erop dat overgens met de Europese gemeenschap allang een vierde bestuurslaag is geschapen. De Wit: “Je moet de bereidheid hebben om in veranderende omstandigheden je organisatie aan te passen. Dat gaat vanuit een bestaande situatie, we bedenken Nederland niet even opnieuw.”

Aan de Amsterdamse PvdA van de laatste decennia denkt De Wit, van huis uit geheelonthouder, met weinig genoegen terug. “Begin jaren zeventig is er een drankcultuur in Amsterdam onstaan, waarbij de gemeentelijke beslissingen in de kroegen werden genomen. Hele interne circuits: als je erbij wilde horen moest je met de wethouder naar de kroeg. Het was een stuk degeneratie dat jarenlang de politiek in de Amsterdamse gemeenteraad heeft bepaald. Dan ontstaat de arrogantie van de macht.”

“Neem ook de argumenten voor zo'n Larmag-toren. In zo'n stomme competitiesfeer, zo van: wij zijn het grootste gebouw van Nederland. Terwijl je praat over identiteit van het landschap en van de steden in West-Nederland. Dat vind ik uiterst kinderlijk en verwerpelijk.” De Nederlandse steden kennen zo hun eigen maatvoering meent De Wit. “Een hele mooie verkiezingsleus van Jan Schaefer was ooit "Laat Amsterdam op Amsterdam blijven lijken'. Wat in een wereldstad als Londen of Parijs kan, dat moet je hier niet willen”, aldus de commissaris.

“Waar ik in geloof is, dat het persoonlijke ook politiek is. Als je kiest voor de PvdA, dan past daar ook een zekere soberheid bij, ook als je een publieke functie hebt. Wat je politiek voorstaat moet je in je levenshouding uitstralen.”