Jessye Norman pas overdonderend perfect in pianissimo toegift

Concert: Jessye Norman (sopraan) en Geoffrey Parsons (piano). Programma: Liederen uit: Wolf, Italienisches Liederbuch; Mahler, Rückert-Lieder; Tsjaikofski, Six mélodies françaises; Schönberg, Brettl Lieder. Gehoord: 30-11, Grote Zaal van het Concertgebouw te Amsterdam.

Natuurlijk is de Kleine Zaal van het Amsterdamse Concertgebouw al lang niet meer groot genoeg voor Jessye Norman. Maar zaterdagavond, zittend op het frontbalkon van de Grote Zaal, verlangde ik aanvankelijk sterk naar de huiskamerachtige sfeer van die intieme ovale ruimte. Jessye Norman zong, begeleid door pianist Geoffrey Parsons, achtereenvolgens liederen van Wolf, Mahler, Tsjaikofski en Schönberg. En ze deed dat zoals het een liedzangeres betaamt: uiterst genuanceerd, met zorg voor elk detail, bijna op het pietluttige af, iedere gelegenheid om zacht of zeer zacht te zingen koesterend. Maar details die in de Kleine Zaal waarschijnlijk minutenlang zouden hebben nagesidderd, smoorden op hun lange weg van het podium naar het balkon in de tot de allerlaatste stoel volgepropte zaal.

Je kunt dat natuurlijk een verkeerde inschatting van de zangeres noemen, die haar geluidsniveau en subtiliteit wel enigszins had mogen aanpassen aan de omstandigheden. Zeker omdat ook de verstaanbaarheid van de tekst in het begin te lijden had onder haar streven naar verstilling. Iets wat gelukkig later minder werd, kennelijk wennen oren aan weinig geluid, zoals ogen aan het donker. Toch denk ik dat Jessye Norman zich terdege bewust was van de "omstandigheden', maar gewoon geen zin had om consessies te doen. Waarom zou ze ook? Alleen omdat ze als megaster, voortdurend levend in een soort overtreffende trap, nu eenmaal niet meer in de Kleine Zaal terecht kan? Waarschijnlijk zelfs niet als ze dat graag zou willen?

De introverte benadering die Jessye Norman koos, zeker in het begin, waarbij het soms leek alsof ze voor zichzelf stond te zingen, werkte afstandelijk. Bij mij bleef de overdondering uit, al is het vrijwel onmogelijk om niet meteen geheel in beslag genomen te worden door Jessye Normans magneet-achtige persoonlijkheid. Misschien is dat wel het belangrijkste verschil tussen haar en andere uitstekende zangeressen: de absolute aandacht die ze weet af te dwingen (waardoor ze bij voorbeeld een voortreffelijke begeleider als Geoffrey Parsons, geheel uit het blikveld laat verdwijnen, ondanks zijn prachtige pianospel). Ze doet dat niet alleen met haar karakteristieke stemgeluid - rijk en glanzend van klank zowel in de laagte als in de hoogte, statig maar ook soepel, soms zeer geraffineerd en bijna te gecultiveerd, maar af en toe ook met een soort natuurlijke ruwheid -, maar ze eist alle aandacht al op voordat er één noot geklonken heeft, door de zelfverzekerdheid waarmee ze op het podium staat, de slow motion gebaren waarmee ze haar stem begeleidt of het applaus in ontvangst neemt.

In het programma voor de pauze, zeven liederen uit het Italienisches Liederbuch van Wolf en Fünf Lieder nach Rückert van Mahler, liet Norman vooral de sombere, donkere kant van haar stem horen. De ware ontroering bleef uit. Na de pauze klaarde het geleidelijk op in de liederen uit Tsjaikofski's Six mélodies françaises, waarin vooral de weelderig melodische Sérénade prachtig was. Maar pas in de laatste serie, zes van de acht Brettl-Lieder die Arnold Schönberg schreef voor een Berlijns cabaret-theater waaraan hij sinds 1901 verbonden was, kwam Jessye Norman echt los. Al waren de beweginkjes af en toe wel wat bestudeerd, ze namen de zwaarte uit de stem en de vertraagde statigheid uit de gebaren.

Het echte wonder gebeurde tenslotte in de toegiften. Niet in de twee spirituals die ze als laatste zong, al wist ze daarmee de zaal tot de uiterste vervoering te brengen, ook niet in de eerste toegift, Zueignung van Richard Strauss, maar in Morgen van dezelfde componist. Daarin was alles perfect. Parsons streelde de toetsen van zijn vleugel en Jessye Norman liet de noten uit haar keel glijden, in het traagst denkbare tempo en zo pianissimo als maar mogelijk is.