De laatste Vroegindewey

Hoe erg is het om een achternaam te hebben die meestal leuk bedoelde opmerkingen uitlokt, of besmuikt danwel hilarisch gelach? Er zijn voorbeelden te over, maar ik beperk me hier tot mijn eigen naam. Er zijn verschillende schrijfwijzen, aan elkaar of los, in vier woorden en dan Wei met een hoofdletter. De uitgang leidt in alle gevallen vaak tot vergissingen, wei met ei, eij of ey.

In het dorp waar ik opgroeide, Middelharnis, op het voormalige eiland Goeree-Overflakkee, dragen honderden inwoners een of andere variant van de naam Vroegindewei. Zo hadden eens een bruid en een bruidegom plus de wederzijdse ouders allen deze naam, zonder dat er op die bruiloft incestueuze verhoudingen werden beklonken.

Vroegindeweij is daar net zo gewoon als Jansen. Ik kende iemand die Komtebedde heette en in de Broekweg woonde. Nescio amuseerde zich toen hij in een café van Komtebedde had gegeten en hij voegde eraan toe dat Vroegindeweij daar niks bij was. Een melkboer uit de omgeving heette Pasuitbed. Het kan altijd erger.

Soms zei een dorpeling: Vroegindeweij - laat vet. Dat trok ik mij aan, omdat ik dacht dat het op mijn vader sloeg, die nogal mager was. Pas later begreep ik dat de koeien en kalveren die vroeg in het jaar de wei ingingen, niet gauw vet werden.

Ik herinner me een kinderkamp van de AJC in Vierhouten. Als de post van thuis werd bezorgd, stonden we met z'n allen in een grote kring. De leider stond in het midden en riep met luide stem de namen van de geadresseerden af. Er was gelukkig post voor mij, de leider zette Vroeg... in, en toen hij mijn naam helemaal had uitgesproken, steeg uit tientallen socialistische jongenskelen een hatelijk gelach op, dat nog werd versterkt toen ik met een rood hoofd naar het midden liep om de langverwachte brief van mijn ouders in ontvangst te nemen.

In die tijd werden mensen die rood haar hadden nog voor vuurtoren uitgescholden en iemand die uitzonderlijk lang was voor lantarenpaal en zo iemand werd door de leukste in een gezelschap steevast gevraagd of het boven koud was. Was je lang én had je rood haar dan was je helemaal de pineut. Lange mensen zijn niet uitzonderlijk meer en rood haar is sinds de henna menig Hollands peenhaar in een vuurrode gloed heeft gezet, een normaal verschijnsel geworden. Ook ten aanzien van "rare' namen is er sinds jaren een omslag te bespeuren. In plaats van grappen horen we tegenwoordig de bewondering van het soort dat men heeft voor alles wat ooit eigen en mooi was in Nederland.

Dat was nog niet zo in het begin van de jaren zestig, toen ik naar Rotterdam verhuisde. Toen durfde ik mijn naam nauwelijks hardop te noemen, tenminste niet in openbare gelegenheden, zoals cafés en wachtkamers. Als daar niet aan te ontkomen viel of ik werd afgeroepen, voelde ik mij weer in het AJC-kamp. In de cafés stierf het bovendien van de dichtende zuipschuiten, die allemaal hetzelfde vers componeerden: Vroegindekroeg. Als het peil tot op de bodem van het zoveelste glas was gezakt, werden er grovere varianten ten gehore gebracht.

De origineelste grap op mijn naam moet worden toegeschreven aan C.B. Vaandrager, die hem in een van zijn woordspelige teksten verbasterde tot Vroegikjewat?

Omstreeks 1970 was er een zwaar gereformeerde postbode in Amerika die weigerde op zondag te werken toen zijn baas dat van hem verlangde. Deze Vroegindeweij toog met zijn vrouw en dertien kinderen naar Washington om voor het Witte Huis te protesteren en verscheen op de voorpagina's van verschillende Amerikaanse kranten. Beroemd is de naam overigens in gereformeerde kringen in Nederland; ik weet zo al van vijf dominees die zo heten.

De Amerikaanse mannenbroeder werd niet gedwongen zijn naam te verengelsen, tot bijvoorbeeld Early in the Meadow, zoals de oude man in het titelverhaal van W.F. Hermans' nieuwste verhalenbundel, De laatste roker. Daarin speelt een Vroegindewey met y de hoofdrol; hij kan dus geen familie zijn. Toch herken ik in hem karaktertrekken die op Overflakkee niet zouden opvallen. Het verhaal speelt in het jaar 2021, de tabaksindustrie is verboden en behalve roken mag er in Nederland ook geen Nederlands meer worden gesproken, alleen mensen boven de vijfenzeventig zijn vrijgesteld van het Engels.

De laatste Vroegindewey wordt door twee vrouwelijke agenten betrapt bij het roken van een illegaal verkregen Gauloise-sigaret en opgebracht naar het politiebureau, waar hij door inspecteur Ritzen (voorheen Meinsma, maar die dus eigenlijk Zips of Zipfasteners zou moeten heten) aan de tand wordt gevoeld. Voor het verdere verloop van het verhaal verwijs ik graag naar Hermans' prachtige bundel, waarvan de omslag wordt gesierd door een leeg en verfomfaaid Frans pakje Gauloise.

Er is meer aan deze bundel dat de familiekring aanspreekt. Boven de werktafel van mijn vrouw hangt in een lijstje de Nederlandse uitvoering van een pakje Gauloise Caporal; eronder staat de datum vermeld waarop ze haar laatste sigaret rookte: 20 oktober 1979. Twee jaar later werd ze officieel mevrouw Vroegindeweij en sindsdien zijn er twee Vroegindeweijtjes bij. Zodat onze naam tot ver in de volgende eeuw in Nederland zal klinken. Als ze hem tenminste niet vrijwillig laten veranderen, want dat is tegenwoordig, ook zonder Ritzen, gemakkelijk en niet duur.