De jonge krachtpatser uit Lemmer

Friesland telt weer mee in het schaatsen. Na Falko Zandstra, de al luid bejubelde Heerenvener, heeft een tweede inwoner uit de noordelijke provincie zich bij de internationale top gevoegd: Rintje Ritsma uit Lemmer. De 21-jarige allrounder zorgde gisteren bij de Wereldbekerwedstrijd op de Thialfbaan voor de grote doorbraak. De lange blonde krachtpatser werd verrassend eerste op de sterk bezette 1500 meter. Genomineerd is hij nog niet, maar de Olympische Winterspelen van Albertville komen voor Ritsma in zicht.

Verleden jaar stond bondscoach Ab Krook voor een moeilijke keuze. Hij had één plaats vrij in zijn kernploeg en er waren twee kandidaten, Rintje Ritsma (“in het Fries is het Rintsje, maar dat is haast niet uit te spreken”) en Cor-Jan Smulders. Trainer Leen Pfrommer van Jong Oranje sloeg de twee rijders precies even hoog aan. Krook moest de knoop maar doorhakken. “Dank zij zijn goede gedrag en zijn mentaliteit kreeg Ritsma mijn voorkeur”, herinnert Krook zich. Voor Ritsma begon, zoals hij het uitdrukt, het echte werk. “Ik voelde me ineens volwassen, ging eindelijk eens goed over mijn sport nadenken. In Pfrommers groep, zeg maar twaalf kinderen, was ik daar nooit goed aan toegekomen.”

Ritsma begreep dat hij het in zijn nieuwe omgeving niet gemakkelijk zou krijgen. Want Krooks selectie werd aangevoerd door Bart Veldkamp, Ben van der Burg en Thomas Bos, drie Haagse bluffertjes. Had Anne-Jan Portijk eerder dat jaar niet geroepen dat zijn falen in de kernploeg was te wijten aan de babbels van die ellendige Hagenezen? Ritsma: “Ze probeerden me uit, zeker in het begin. Het was een soort ontgroening. Ik ben wel eens in de maling genomen. Maar als je met topsport bezig bent moet je daar tegen kunnen. Word je sterk van. Trouwens, ik weet dat die drie ook veel goede dingen voor Portijk hebben gedaan.” Krook: “Het lag heel simpel. Portijk was ook gesneuveld als de kernploeg alleen uit Friezen had bestaan.”

In het seizoen 1990-1991 had Ritsma één doel voor ogen: Hij wilde zich per se handhaven in de elitegroep van Krook. Van de bondscoach had hij daarbij alle medewerking. Krook kreeg het bij de organisatoren voor elkaar dat Ritsma bij enkele Wereldbekerwedstrijden (Butte, Calgary) buiten mededinging aan de start mocht verschijnen. Krook: “Een heel belangrijke ervaring, een stukje extra opleiding. Rintje kreeg het idee erbij te horen.” Intussen schaafde de bondscoach flink aan de matige techniek van Ritsma. “Ik had wel zes weken tot twee maanden nodig om Rintje goed op het ijs te krijgen. Eindeloos veel ronden liet ik hem achter Veldkamp rijden, zodat hij kon zien hoe het precies moest.” De leerling boekte zichtbaar grote progressie: Bij de finale van de Worldcup in Inzell werd Ritsma zelfs knap derde op de 1500 meter.

Ritsma volgt een deeltijdopleiding EVM (Eerste Verkoop Medewerker), die hem in de zomer dwingt dikwijls fulltime in een winkel te staan. “En daar komen dan ook nog huiswerk en examens bij. Maar ik ervaar dat als lekker. Ik wil ook niet alleen met schaatsen bezig zijn, ook met mijn maatschappelijke loopbaan. Vorige week heb ik nog een examen gedaan.” In de afgelopen warme maanden zag hij naar zijn zeggen al aankomen dat zijn tweede seizoen zou slagen. “Het ging heel goed op de rolschaatsen, maar dat zei me niet zo veel. Er zijn jongens die bij dat werk alles kunnen, maar vervolgens op het ijs niet vooruit zijn te branden. Dat ik goed was merkte ik vooral op de fiets. Ik was niet kapot te krijgen, ik trapte heel snel weg.”

Hoe sterk Ritsma was bleek in november bij het toernooi om de IJsselcup. “Ik ben benieuwd wie er morgen achter Rintje tweede wordt”, liet Krook zich de dag voor de wedstrijd in Deventer al ontvallen. Ritsma won. Maar piekte hij niet te vroeg? “Nee”, zegt hij stellig. “Ik deed de IJsselcup er gewoon bij. Geen moment heb ik toen gas terug genomen op de training. Doe je dat wel, dan betaal je daar later de tol voor.” Ook de cijfers onderstrepen Ritsma's vooruitgang. Zijn persoonlijk record op de 500 meter (nu 38.95) verbeterde hij deze competitie al twee keer. En gisteren reed hij zijn toptijd op de schaatsmijl (1.55,24) aan flarden: 1.54,14. Hij was sneller dan gerenommeerde rijders als Söndraal, Hadschieff en de niet geheel fitte wereldkampioen Johann-Olav Koss.

Ritsma: “De Nederlanders hebben een Koss-complex, stond pas overal te lezen. Maar vorige week, bij de Worldcupwedstrijd in Berlijn, gaf Zandstra Koss op de 1500 meter al een speldeprik, nu deed ik dat. Hij is ook maar een mens, ik weiger te geloven dat hij in Albertville onverslaanbaar is. Trouwens, de Noren zijn ook niet zo zeker van hun zaak. Ze zijn bijzonder onder de indruk van Zandstra. Een aantal journalisten uit Oslo kwam niet voor niets speciaal naar hier om hem te bestuderen. Zij hebben een Falko-complex, zou je kunnen zeggen. Veldkamp had gelijk toen hij laatst opmerkte dat de explosies van Koss afgelopen winter goed zijn geweest voor de Nederlanders. Ze hebben ons wakker geschud.”

Hoewel Ritsma als C-junior slecht uit de voeten kwam op de 1500 meter lijkt deze afstand nu hij (bijna) volgroeid is hem het beste te liggen. Ook op de vijf kilometer staat hij zijn mannetje. In Berlijn, waar hij buiten mededinging meereed, werd hij vijfde. Afgelopen zaterdag in de Thialfhal had hij aan de 5000 meter mogen meedoen, maar wéér voor spek en bonen, omdat Krook Bos of Ben van der Burg niet wilde passeren. Ritsma bedankte en koos (gisteren) voor de tien kilometer, waarop hij slechts twintigste werd. “De 10.000 meter heb ik in mijn korte carrière pas heel weinig gereden. Die heb ik nog niet helemaal onder de knie. Dat komt nog wel. Ik wil hem goed leren beheersen. Dat moet als ik een goede allrounder wil worden. En dat wil ik.”

Ritsma denkt er vooralsnog dan ook niet aan zich op één of twee afstanden te specialiseren, zoals veel toppers dat dit jaar doen met het oog op Albertville. “Veldkamp mikt op de vijf en tien kilometer, net als Bos. Van der Burg gooit alles op de 1500 en de 5000. Leo Visser zet zijn kaarten op de 1500 meter. Door die aanpak verwaarlozen die jongens hun sprint, zodat ze bij de Europese- en wereldkampioenschappen vermoedelijk tekort komen. Wie weet kan ik daar dan mijn voordeel mee doen.”

Stilletjes, in de schaduw van de vedetten, is Ritsma naar de top geklommen. Pfrommer stond aan de basis van zijn succes. “Bij Leen trainde ik nog harder dan nu. Hij was een vakman, hoewel hij wel erg veel zaken met de tijd van vroeger vergeleek. Krook staat naar mijn idee een stuk dichter bij de sporter. Van hem heb ik ontzettend veel opgestoken.” Ritsma's grote voorbeeld is Tomas Gustafson. “Toen ik nog op de lagere school zat, was die er al bij. Fantastisch, al in de dertig en dan nog zo veel kracht en enthousiasme. Dat kan alleen in een land als Zweden, met een smalle top. Tommi heeft af en toe zonder problemen een jaartje rust kunnen nemen. Altijd werd hij daarna weer met open armen ontvangen. In Nederland gaat dat niet. Als je even gas terug neemt, rijden de jonge honden je uit de kernploeg en dan ben je gezien. Dan is het finito.”