De gemeenschap van Europa

Als driehonderd Polen een automarkt in Utrecht bezoeken, opent het NOS-Journaal met de bange vraag: gaan ze straks naar huis of blijven ze hier hangen? Daarover kunnen we ons geweldig druk maken. En verder is het weer oorlog ergens in Europa en hangt de dreiging van nog veel meer geweld in de lucht. De zwart-wit foto's van het laatste slagveld bij Vukovar komen ons voor als verwaaide beelden van een vorige oorlog. We zijn verbaasde, niet overdreven betrokken toeschouwers bij een geschiedenis die de onze nog niet is.

Het grote vergeten van Midden- en Oost-Europa, dat Kundera ooit aanklaagde, is na het magische revolutiejaar 1989 eigenlijk gewoon doorgegaan. Nog steeds vallen de mentale en geografische afstanden die ons van Warschau, Praag of Dubrovnik scheiden, niet samen. Het is allemaal heel begrijpelijk, want zelfs de Westduitsers interesseren zich nauwelijks voor hun nieuwe landgenoten.

Toch zijn er wel enkelingen die het publieke debat over de voortbestaande deling van Europa proberen aan te wakkeren. Frans Andriessen, de vice-voorzitter van de Europese Commissie, is zo iemand. Hij vraagt zich af in welke mate de Europese Gemeenschap zelf een produkt is van de deling van Europa: “We moeten denken aan hoe we Europa gevormd zouden hebben als we dat van meet af aan hadden kunnen doen met een Europa zoals het er nu uitziet'" (NRC Handelsblad 18 oktober). Anders gezegd: de Gemeenschap is geen gegeven waarbij andere landen zich kunnen aansluiten, maar de verdere ontwikkeling van de Gemeenschap dient zich te voegen naar de nieuwe verhoudingen in het Europa van na 1989.

Er zijn wel dwingende redenen voor die stelling. Over het geheel genomen wordt nog steeds de ontreddering in de landen van het voormalige Oostblok niet ten volle begrepen. De etnische lappendeken wordt uiteen gescheurd en we lijken pas aan het begin van nieuwe conflicten en geweld in Europa te staan. Voor zover we erover denken gaat het om de vraag: blijven het burgeroorlogen of steken de gewelddadigheden de grens over? Niemand weet het, maar zeker is dat er teveel over grenscorrecties wordt gesproken.

We kijken meewarig en een beetje bevreesd naar de Kroaten of Slowaken. De etnische rivaliteiten zijn een pijnlijk anachronisme, peinzen we beschaafd voor ons uit. De gevaren van het romantische nationalisme zijn bekend, maar kunnen niet meer worden tegengegaan door het recht op afscheiding te weerspreken. Langzaam raken de EG-landen - onder druk van Duitsland - ervan doordrongen dat er niets anders op zit dan deze naties als nieuwe staten te erkennen.

Voor zover er iets aan te doen is, kan de snel om zich heen grijpende staten-anarchie slechts worden bezworen door nieuwe vormen van integratie te scheppen. Andriessen: “Wat ik voorstel is dat we erover denken hoe we de verschillende Midden- en Oosteuropese landen kunnen opnemen in het integratieproces zonder hun de verplichtingen op te leggen die ze economisch niet aan kunnen, terwijl ze tegelijkertijd toch niet alleen het gevoel hebben, maar ook de existentiële bevestiging dat ze erbij horen”.

Juist omdat economisch herstel een kwestie zal zijn van generaties, zijn andere vormen van integratie nodig die meer politiek van aard zijn. Onlangs werd de gedachte geopperd om, bij wijze van begin, landen als Polen, Hongarije en Tsjechoslowakije toe te laten tot de Europese Politieke Samenwerking en deel te laten nemen aan de volgende verkiezingen voor het Europese Parlement (zie Garton Ash en anderen in de Volkskrant van 19 oktober). Lang niet iedereen ziet wat in deze redenering. Staatssecretaris Dankert bijvoorbeeld is niet erg gecharmeerd van een aanpassing van de Gemeenschap aan de Oosteuropese problemen. Een te snelle uitbreiding is bedreigend, ook al betreft het "halve' vormen van lidmaatschap. Hij is bang dat de Europese Gemeenschap aan haar aantrekkingskracht ten onder gaat. In zijn opstelling strijden onmacht èn onwil om voorrang. Voor beide zijn goede redenen.

Dankert zei onlangs tijdens een gastcollege op de Rijks Universiteit van Leiden: “Toetreden tot de Gemeenschap is geen formele zaak die met het ratificeren van de toetredingsakte wordt geklaard. Een land is alleen maar lid van een gemeenschap doordat het een zeer veelomvattend stelsel van regels en verplichtingen in praktijk brengt”. Hij verwierp dan ook de suggesties van Andriessen: “Die werkelijkheid wordt geweld aangedaan door halfhartige vormen van lidmaatschap toe te staan. (...) Het is een gevaarlijke illusie het te doen voorkomen alsof het transformatieproces betere kansen zou hebben bij vroegtijdige toetreding. Dat zou geen toetreding zijn maar kolonisatie”.

Tegen dat laatste is natuurlijk weinig in te brengen, maar toch overtuigt zijn onwil niet echt. Juist waar Dankert in zijn rede zelf de nadruk legt op het politieke karakter van de Europese Gemeenschap, zou hij veel gevoeliger moeten zijn voor de noodzaak om behalve economische verdragen ook de politieke lotsverbondenheid tussen de beide delen van Europa vorm te geven.

Of gelooft hij echt in de onmacht van de Gemeenschap om met andere dan economische middelen iets aan de chaos in deze landen te doen? Maar wat hebben al die ronkende ambities gericht op een Politieke Unie dan in hemelsnaam om het lijf? Misschien moeten we nuchter vaststellen dat het al moeite genoeg kost ons eigen nationalisme te beteugelen en dat we niet ook nog eens de hartstochten elders in goede banen kunnen leiden. Maar zolang geen serieuze poging is ondernomen, moeten we vaststellen dat vooralsnog de onwil het van de onmacht wint.

Voor zover er in Nederland over deze vragen wordt gesproken, regeert de dubbele bodem. We dromen hardop over de gemeenschap van Europa, maar geloven slechts in de Europese Gemeenschap. We spreken over een grenzenloos continent, maar denken aan nieuwe vestingwerken tegen de horden uit het Andere Europa. We beloven veel, maar doen tamelijk weinig. Misschien is een afhoudende opstelling of zelfs een nieuwe afgrenzing in het geval van calamiteiten onvermijdelijk. Maar dat moet dan wel openlijk worden uitgesproken, zodat de landen in het Oosten weten waar ze aan toe zijn. Het gedraal maakt op den duur alleen maar vijanden.

Toch is ook een houding verdedigbaar die juist een versnelde politieke integratie van Midden- en Oost-Europa ziet als een verlicht eigenbelang. Wie nu denkt aan afwachten of zelfs afgrenzing, zal straks wellicht worden geconfronteerd met massale emigratie, militaire rivaliteit en economisch bankroet. Dan zou een nieuwe Muur weleens illusoir kunnen blijken, nog afgezien van de morele verwerpelijkheid van een nieuwe deling van Europa.

Onze mogelijkheden om de dreigende keten van geweld in Europa te doorbreken zijn inderdaad beperkt en moeten daarom zo goed moegelijk worden benut. Het is natuurlijk geen toeval dat Joegoslavië de debatten over de Politieke Unie doorkruist, hoewel het geen officieel gespreksthema is op de EG-top komend weekeinde. In de worsteling met de dagelijkse treurigheid van de voormalige dictaturen zal de saamhorigheid van West-Europa moeten blijken. De slag om Europa wordt niet in Maastricht beslecht.