Basisvorming verbijstert deelnemers aan symposia; "Het is als een auto in de mist, je ziet hem pas als je er op zit'

TILBURG, 2 DEC. “Basisvorming is als een auto in de mist”, zegt een van de deelnemers aan de workshop "Onderwijsroutes'. “Eerst zie je de lampen, dan het sihouet en pas als je d'r bovenop zit zie je het hele ding.”

Workshopleider Arjen Appel van de Pedagogisch Technische Hogeschool Nederland kan het niet ontkennen. Hij wordt “dagelijks gebeld” door mensen die hem erop wijzen dat in zijn brochure "Onderwijsroutes in de eerste fase voortgezet onderwijs' dingen staan waarvan ze net hebben gehoord dat die niet kloppen. Het is ook geen wonder: er moeten nog aanvullende nota's en een aantal algemene maatregelen van bestuur uitkomen, en om het allemaal nog erger te maken spreken de voorlichters van het Proces Management Team Basisvorming en die van het ministerie zichzelf en elkaar zo nu en dan tegen.

Vrijdag werd in Tilburg onder de titel "Tussen hoop en vrees' een van de tientallen bijeenkomsten gehouden die zijn gepland om het onderwijs voor te bereiden op de komst van de basisvorming. Veel van deze bijeenkomsten zijn vakgericht, andere, zoals die in Tilburg over de positie van leerlingen in het individueel en het lager beroepsonderwijs, zijn meer algemeen. Wat hen verbindt is de combinatie van gelatenheid (“De basisvorming is niet meer tegen te houden”) en verwarring bij de bezoekers: veel leraren hebben zo lang mogelijk alle berichtgeving over de basisvorming overgeslagen, met het idee dat ook deze onderwijshervorming wel weer over zou waaien. Op de conferenties, studiedagen, symposia en info-bijeenkomsten blijkt de onkunde bijna compleet.

Vorige week in Meppel, vertelt Appel, maakte hij het zelf mee: daar had iemand van het ministerie in de zaal gezeten die had gezegd dat de doorstroom-programma's zijn bedoeld voor sterke leerlingen, en niet voor zwakke, zoals in zijn brochure staat. Appel was bijna van zijn stoel gevallen van verbazing. Later bleek de ambtenaar zich te hebben vergist. “Maar ik waarschuw u maar: dat zijn zo'n beetje de kaders waarbinnen dit soort bijeenkomsten worden gehouden.”

Eerder die dag is een beleidsambtenaar van het ministerie van onderwijs met de conferentie-bezoekers “een paar hoofdzorgpunten” nagelopen. Want: “Er komt veel op u af en jammer genoeg laat de werkelijkheid het niet altijd toe grote operaties zo in te voeren dat het voor de scholen behapbaar blijft”. Een eerste "hoofdzorgpunt' is dat de basisvorming te moeilijk zal zijn voor een deel van de leerlingen. Maar er was nu eenmaal gekozen voor een kwaliteitsverbetering van het onderwijs, “dus dan moet je accepteren dat bepaalde leerlingen het niet zullen halen”. Wat uiteraard niet wil zeggen dat er nu een nieuwe "restgroep' in het onderwijs komt: “Veel hangt af van uw inzet en deskundigheid”. Want, in alle redelijkheid: men kan toch niet van het ministerie verwachten dat dat straks 20 miljoen gulden extra uittrekt, als blijkt dat de groep leerlingen die het reguliere onderwijs niet aankan twee keer zo groot is geworden? “Als scholen voor dezelfde keuze zouden staan, zouden ze dan ook zo'n groot percentage van het budget besteden aan de zorg voor zwakke leerlingen?” En de ambtenaar besloot dat “de zorgen evenzovele uitdagingen zijn voor de komende jaren, laten we het zo maar even formuleren”.

De deelnemers aan de workshop slaan dan ook zonder aarzeling aan het pennen wanneer Appel ze verzoekt twee vragen te formuleren “waar u nou echt mee zit”. Weet men in Zoetermeer wel wat dat is, een leerling in het individueel beroepsonderwijs? Hoe moet ik mijn leerlingen straks nog plezier in het onderwijs meegeven? Wat kan een zwakke leerling wél aan in de basisvorming? Als iemand opmerkt dat hij naar Tilburg is gekomen “om nu eens echte, harde informatie te krijgen”, barst het zaaltje in lachen uit.

Toch kennen ze het probleem allemaal. Het ministerie van onderwijs heeft een aantal "taakuren' vergeven waarin scholen zich kunnen voorbereiden op de basisvorming, maar “concreet kunnen we in die tijd nog niets doen”, zegt een deelnemer. Het is waar, zegt Appel, die taakuren zijn op een bijzonder ongelukkig moment vrijgekomen. “Maar u moet toch maar proberen ze zo goed mogelijk in te vullen, anders zegt het ministerie straks: moet je kijken, geven we ze taakuren en doen ze er niets mee.”

Bij een andere workshop, een eindje verderop, wijst een deelnemer de beleidsambtenaar van het ministerie op de "tegenstrijdigheid' tussen de “pretentie van het ministerie” dat in de basisvorming de algemene vakken “bereikbaarder worden voor zwakke leerlingen” en het feit dat datzelfde ministerie toegeeft meer uitvallers te verwachten. Maar de ambtenaar heeft zijn antwoord klaar: “U kunt het ook omkeren. Hadden we dan het veld in moeten gaan en tegen de mensen zeggen: we gaan nu het niveau verlagen, zodat een aantal leerlingen erop vooruit gaat?”. De basisvorming is eigenlijk niet meer dan een “richtinggevend kader”, waar het om gaat is “dat we er met z'n allen maar eens goed de schouders onder moeten zetten”.