Asko Ensemble speelt werk van György Kurtág; Fortissimo tuba's uit de nok

Concert door Schönberg en Asko Ensemble onder leiding van Péter Eötvös, met Taco Kooistra (cello) en Ellen Korver (piano). Werken van Orbán, Ligeti, Kurtág en Eötvös. Gehoord: 1-12 Muziekcentrum Vredenburg Utrecht, herhaling 4-12, Concertgebouw Amsterdam.

De Hongaarse avantgardist György Kurtág komt uit een gebied waar Roemenen, Hongaren en Duitsers samenleven, in zijn jeugd raakte hij tevens vertrouwd met Russische en Oekraïnische cultuurgroepen. Zo werd hij gefascineerd door klankkleuren en stelde hij zich open voor diverse indrukken. Zijn muziek is verfijnd, timbre-gevoelig, miniaturesk. Hij worstelde met grote vormen en schreef uitsluitend "splinters', "herinneringsgeruizen', enzovoorts. Pas in 1980 waagde hij zich aan een grotere vorm en bezetting. Vandaar dat hij zo laat doorbrak, want het is een ongeschreven wet dat een avantgardist zich bewijst met een groot orkestwerk. Bovendien klonk Kurtágs muziek voor het kritische Darmstadt-publiek verdacht mooi, iets wat alleen een Messiaen zich kon permitteren. Daar kwam nog bij dat Pierre Boulez hem verweet dat hij wel veel ideeën lanceerde, maar deze niet systematisch wist uit te buiten. Kurtág is tegen welke systematiek dan ook.

In opdracht van de Alte Oper Frankfurt overwon de componist zijn angst voor een grotere vorm en bezetting: het werd het centrale werk zondagavond in Vredenburg, en draagt de merkwaardige titel Opus 27 Nr. 2 (1989-1990), geïnspireerd op Beethovens Mondschein Sonate.

Het Asko Ensemble had zich al eens eerder gewaagd aan Opus 27 Nr. 1 op een concert gewijd aan het thema "ruimte', maar ditmaal was het uitgangspunt veel spectaculairder. Op het podium beginnen piano en cello, spoedig bijgestaan door slagwerk, cimbalen en harpen. Van vrijwel alle instrumenten stelde de componist een dubbel aantal op. Van daaruit ontwikkelt zich een discours naar alle ruimten in de zalen toe: twee strijkkwartetten, twee houtblazerskwintetten en twee koperkwartetten op diverse niveaus, de zwaardere instrumenten het verst van de luisteraar opgesteld. De muziek klinkt aanvankelijk mechanisch vervreemdend, verzandend in geheimzinnige donkere klankvlekken waar een Kagel zich niet voor zou hoeven schamen, en weer eindigend met cello- en pianosolo op het podium. De cirkel lijkt rond, maar zo is Kurtág niet, hij zet je graag op het verkeerde been en dus start een nieuw, wild betoog met fortissimo tuba's hoog vanuit de nok - men vraagt zich af hoe dit zal worden opgelost in het Concertgebouw (serie C), want in elke zaal zal het werk totaal anders klinken. Het meest betoverend is het slot met zijn fraaie sluierklanken. Daarin herkent men Kurtágs quasi-improvisatorische taal nog het best. Al die zeg maar Roemeense (soli-), Hongaarse (slagwerk-), Duitse (strijkers-), Russische (hout-) en Oekraïnische (koper-) componenten komen daar eindelijk tot rust - bezinning is misschien een betere omschrijving.

Péter Eöovs had alles uitstekend in de hand, in zijn eigen Steine (1985-1990) voor 22 musici, gecoördineerd door steenslagen, demonstreerde hij zo mogelijk een nog perfecter sluitend samenspel, overigens ook de opzet van het werk: goed luisteren, reageren, iets bedenken en doorgeven. Leuke ideeën te over, maar veel te uitgesponnen.

György Orbáns Triple Sextet (1980) leek een soortgelijk thema uit te werken, een precies en ietwat precieus spel voor ditmaal achttien musici opgedeeld in drie sextetten. Het volledig Hongaarse concert werd gecompleteerd door het ook al bijzonder geconcentreerd uitgevoerde Celloconcert (1966) van György Ligeti.