Arabische zakenlieden willen 13 miljoen van ABN Amro

AMSTERDAM, 2 DEC. Drie Arabische zakenlieden hebben vandaag in kort geding 13 miljoen gulden geëist van ABN Amro. Het gaat om een voorschot op eenvordering van in totaal 38 miljoen wegens wanprestatie in 1981 bij de verkoop van de in de problemen geraakte Remington-schrijfmachinefabriek in Den Bosch aan de Arabieren. Over de totale som sleept zich al jaren een gewone rechtszaak voort.

De heren El-Ajou uit Riad, Khatib en Al-Khalid uit Koeweit kochten Remington in 1981 van de curatoren en de banken voor 22 miljoen. De bedoeling was de schrijfmachineproduktie in Den Bosch onder de naam BSI op beperkte schaal voort te zetten. Direct na de koop bleek dat kennis en octrooien eigendom waren van de Amerikaanse moedermaatschappij. In de Verenigde Staten kwamen de Arabieren meteen voor gigantische schadeclaims te staan. Over de octrooien lopen in Amerika ook nog steeds rechtszaken. In 1985 ging BSI failliet.

De eisers verwijten ABN Amro dat deze niet heeft gewezen op de octrooienzaak, waardoor zijn cliënten “een café zonder bier” hebben gekocht.

De banken wijzen iedere aansprakelijkeid af en zeggen als “fiduciair” eigenaar ook niet erg intensief te zijn betrokken bij de verkoop van Remington. Aangezien de eisers voortdurend grote kosten moeten maken in deze slepende zaak (“een Kafkaiaans drama” volgens hun advocaat mr. H.J. Smit) willen zij nu een voorschot van 13 miljoen.

Mr. J. Vrakking, fungerend president van de Amsterdamse rechtbank, doet op 12 december uitspraak.