Dit is een artikel uit het NRC-archief De artikelen in het archief zijn met behulp van geautomatiseerde technieken voorzien van metadata die de inhoud beschrijven. De resultaten van deze technieken zijn niet altijd correct, we werken aan verbetering. Meer informatie.
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Defensie

De kracht van het belegerde Dubrovnik

“In weerwil van het vijandelijk pogen ging de stad niet dood”, zo meldt de schrijfster Lydia Ginzburg in Omsingeld (1988), het boek over haar ervaringen in Leningrad ten tijde van de Duitse belegering in de Tweede Wereldoorlog.In 1941 trokken de Duitse troepen richting Leningrad. Door de burgerwacht waren loopgraven rondom de stad gegraven en barricades opgeworpen, waardoor de opmars van de Duitse troepen tot staan kon worden gebracht. Leningrad werd twee jaar lang omsingeld. Ondanks het ontbreken van duidelijke fysieke markeringen, laat Ginzburg zien hoe de stad door de belegering veranderde in “één geheel, omgord door een onzichtbare grens”. Door de oorlog was de stad, aldus Ginzburg, “een synthetische realiteit” geworden. Het waren niet langer individuele inwoners maar de stad zelf die als een entiteit “vocht, leed en de moordenaars terugsloeg”. De berichtgeving tot nu toe over Dubrovnik doet vermoeden dat er met deze stad iets soortgelijks aan de hand is.

Dubrovnik is nu al meer dan zeven weken in de houdgreep van het door de Serviërs gedomineerde federale leger. Het is met mortiervuur, granaten en volgens sommige berichten zelfs met fragmentatiebommen bestookt. Het federale leger heeft zich veel moeite getroost de aandacht te blijven vestigen op zijn overmacht. Het heeft gedreigd grond-grondraketten in stelling te brengen om er in Kroatië "geselecteerde doelen' mee te bestoken. Over het arsenaal van wapens dat wordt gebruikt of waarmee wordt gedreigd, doen allerlei geruchten de ronde.

Vorige week viel het laatste nog overeind gebleven Kroatische fort bij Dubrovnik in federale handen. De stad is afgesneden van de buitenwereld. Ze is uitgehongerd en moet water, stookolie en elektriciteit ontberen. Een belangrijk deel van de bevolking, vooral vrouwen en kinderen werd geëvacueerd, maar een niet onaanzienlijk deel is achtergebleven. Nog steeds zijn, althans officieel, alle strijdbare mannen tussen achttien en zestig jaar in de stad aanwezig om haar te verdedigen. Ondanks het feit dat zij met hun eenvoudige verdedigingsmiddelen praktisch machteloos staan tegenover de bommenwerpers, de scheepskanonnen en de tanks, lijkt de onverzettelijkheid van de Dubrovcani echter niet te zijn veranderd.

Waar komt die onverzettelijkheid vandaan? Hoe komt het dat, ondanks het meest gruwelijke voorbeeld dat het federale leger in Vukovar heeft gesteld, niet alleen de Dubrovcani maar ook de wereldopinie verwacht dat Dubrovnik behouden zal blijven? Het kan bijna niet anders of dit komt door de combinatie van een aantal specifieke kenmerken die de stad bezit. De middeleeuwse fortificaties van Dubrovnik lijken hierin centraal te staan.

Het klinkt natuurlijk archaïsch dat een middeleeuwse vestingstad waarvan de fortificaties tot nu toe alleen nog maar een historische en toeristische waarde hadden, zich met dezelfde werken zou kunnen verdedigen tegen twintigste eeuws oorlogsgeweld. Toch ziet het ernaar uit dat het zo is. Sommige steden hebben namelijk het geluk te beschikken over een krachtig symbolisch beschermingsmiddel. Zo beriep Rome zich voor de Tweede Wereldoorlog op het toen geldende oorlogsrecht, waarin het militairen werd verboden een zogenaamde "open stad' aan te vallen. Voorwaarde hiervoor was dat er, zoals in Rome geen militaire doelwitten waren.

Maar vooral het sacrale karakter van een stad geldt als verbod om haar aan te vallen. Om die reden trokken tijdens de Golfoorlog veel inwoners uit Tel Aviv naar de heilige stad Jeruzalem en veel noordelijke Irakezen naar de islamitische heilige stadjes Kerbala en Najaf in het zuiden. Iedereen, ook de vijand, was het er aldus NRC Handelsblad van 15 januari 1991 over eens dat deze steden zoveel mogelijk moesten worden gespaard. Tot voor kort trokken mensen uit de vernielde dorpen naar het oude hart van Dubrovnik, vermoedelijk met dezelfde overtuiging dat het historische karakter dit deel van de stad onkwetsbaar maakt.

De erkenning van het oude Dubrovnik als historisch monument lijkt cruciaal bij haar verdediging. Het geeft de stedelijke autoriteiten immers een middel in handen om zowel de aandacht van Servië als van de wereldopinie, te vestigen op feitelijke en mogelijke vernielingen van een algemeen erkend cultuurgoed. Het is daarom van essentieel belang dat de stad blijft beschikken over voldoende informatiekanalen naar buiten om deze berichten de wereld in te zenden. Maar alleen deze symbolische bescherming zal de stad natuurlijk niet kunnen redden. Een goed moreel van de stedelijke verdedigers en van de achtergebleven bevolking is minstens zo belangrijk.

Zo moet tenminste een deel van de bewoners bereid zijn de stad te verdedigen. Het effect hiervan zagen we aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog in Parijs. Hoe meer het oorlogsgeweld de poorten van de stad naderde, hoe militanter haar inwoners werden. Uit de Lichtstad kwamen berichten dat de arbeiders de stad desnoods gewapenderhand wilden verdedigen. Een woordvoerder bracht naar voren: “Uit alle vensters der arbeidershuizen zullen geweerschoten knallen. Helpt dit niet, dan steken we heel Parijs in brand. De stad mag in ieder geval niet in handen van de vijand vallen”. Afgezien van een enkel bericht over vluchtpogingen, heeft het nieuws uit Dubrovnik een soortgelijke strekking. Hoewel er te weinig geweren zijn om iedereen te bewapenen, lijkt ook daar de verdedigingslust hoger te worden naarmate de vijandelijkheden toenemen. Dit heeft ongetwijfeld te maken met het feit dat het particuliere initiatief wordt gekanaliseerd door een goed functionerende stedelijke militie.

Dit organisatorische kader is in de tweede helft van de jaren veertig ingesteld. Als gevolg van de positieve ervaringen met de "partizanenstrijd' in de Tweede Wereldoorlog vond Tito dat elke regio en elke stad in principe zichzelf moest kunnen verdedigen. In het kader van de zogenoemde "totale nationale verdediging' kreeg de bevolking de opdracht desnoods op eigen initiatief de wapens op te nemen zodra er gevaar van buiten dreigde. Elke inwoner van Joegoslavië kreeg een oorlogstaak die hij eventueel op zijn eentje zou moeten uitvoeren. Behalve het federale leger bestaan er daarom talrijke regionale en plaatselijke legers die los van elkaar kunnen opereren. Van dit instituut kunnen de Dubrovcani nu dankbaar gebruik maken.

Het is bovendien niet onbelangrijk dat deze stadsverdediging symbolische ondersteuning vindt door de solide ogende bescherming van de dikke vestingwallen uit de dertiende en veertiende eeuw. Elke avond luidt in Dubrovnik om negen uur de avondklok en worden de oude poorten gesloten. Ook al helpt dat natuurlijk niet echt tegen bommen en granaten, het psychologische effect ervan moet niet worden onderschat.

Een andere belangrijke reden dat de stad behouden zou kunnen blijven is de voortdurende aanwezigheid van goed gemotiveerde burgers. Evacuatie van alle burgers is natuurlijk humaner, maar uit militair-strategisch oogpunt ongewenst. De zogenoemde "stayput-policy' brengt namelijk met zich mee, dat het "humanitaire argument' in de burgeroorlog een rol blijft spelen. Wanneer Dubrovnik alleen nog maar wordt bevolkt door militairen, dan verandert het immers in een "vrij' doelwit. Het doden van militairen in een oorlog is geoorloofd, maar het doden van burgers niet. De media hebben de taak aan elke gedode en aan elke gewonde burger ruchtbaarheid te geven.

Het moreel van de achtergebleven burgers dient gelijk op te gaan met dat van de stedelijke militie. Zowel voor haar fournering als motivering is de stedelijke militie immers op deze burgers aangewezen. De Bescherming Bevolking die hiervoor zorgt is omstreeks dezelfde tijd opgericht als de stedelijke militie. Ze vormt eveneens een onderdeel van de "totale nationale verdediging' en is, net als de militie, lokaal georganiseerd. Hoewel ze tot nu toe in de media nauwelijks werd genoemd, is ze wel degelijk aanwezig. Zonder haar zouden de schuilkelders en de luchtalarminstallatie er immers niet zijn geweest. Zonder haar zou er geen coördinatie zijn van de hulpdiensten die de doden bergen en de gewonden verzorgen. Voor een goed moreel van de bevolking is het van het grootste belang dat deze organisatie goed functioneert.

Dit lijkt ook het geval te zijn. In het oude hart van Dubrovnik zijn geen schuilkelders, maar in het nieuwe en grootste deel van de stad zijn er genoeg. De achtergebleven inwoners verblijven hier onafgebroken. De gewonden worden, zo blijkt uit NRC Handelsblad van 11 november 1991, verpleegd in ondergrondse ziekenhuizen. Ook al horen we dat het luchtalarm vaak door blijft gaan terwijl de beschietingen allang zijn opgehouden en dat de schuilkelders te klam zijn en als bescherming tegen de bommen weinig voorstellen, toch moet ook het psychologische effect hiervan groot zijn.

Ginzburg schrijft over de schuilkelders van Leningrad: “De rituele herhaling van de procedure had op zichzelf al iets rustgevends. (...) De mensen trokken hun jas en overschoenen aan. Ze betreurden hun onopgedronken thee en hadden geen zin in de koude kelder af te dalen. (...) Daarop werd in het donker, op de tast, de vertrouwde trap afgedaald. (...) Het sein "alles veilig' bracht dagelijks opluchting en vreugde. (...) Men ging de trap op, soms weer naar beneden, definitief naar boven, dronk zijn afgekoelde thee op en kroop met kleren aan in bed. (...) Velen meenden zelfs dat juist het proces van de afdaling en de zit in de kelder de gunstige afloop garandeerde”.

Ondanks de vernietiging en aanvallen op andere steden lijken de berichten over Dubrovnik om al deze redenen toch hoopgevend voor het behoud van de stad. Hoewel de materiële beschermingsmiddelen van de stad net zo weinig voorstellen als bijvoorbeeld in Vukovar, zijn haar symbolische beschermingsmiddelen veel groter. Door de combinatie van een aantal cruciale kenmerken zoals een bijzondere historische waarde, een eigen militie en een eigen BB lijkt de stad een redelijke kans te maken in handen te blijven van haar bewoners. Wellicht kan Leningrad in dezen voor de Dubrovcani als lichtend voorbeeld dienen. De Duitsers bombardeerden de stad onophoudelijk en bestormden haar meer dan eens, maar zonder succes. Eind 1943 lukte het zelfs de Duitse omsingeling te doorbreken waarna de vijand voorgoed kon worden verjaagd. Ginzburg verwijst duidelijk naar het aandeel dat het hoge moreel van de stadsbevolking daarin heeft gehad: “De mensen (van Leningrad) menen dat ze niet vechten maar zich alleen in leven houden. (...) Dat is niet waar. Ze doen het noodzakelijke om te zorgen dat de vechtende stad niet doodgaat”.