Nederlands kunstrijden: pirouette in vicieuze cirkel

DEN BOSCH, 25 NOV. De organisatie heeft er alles aan gedaan de wedstrijden om de Hertogstad Bokaal een zweem van glamour mee te geven. De harde, grijze ballustrade van ijsstadion De Vliert in Den Bosch is bedekt met blauw doek, waaraan boeketten plastic bloemen hangen. Het geel van de tulpen is geler dan de natuur als esthetisch verantwoord beschouwt. Het roze van de anjers is roziger dan het bestaan van de Nederlandse kunstrijders ooit zal zijn.

Ook de deelnemers zelf hebben hun uiterste best gedaan om een sfeer van betovering te scheppen. In de kledingzakken die hun moeders behoedzaam met zich meetorsen, blijken de meest geraffineerde toiletjes schuil te gaan. Elfachtige niemendalletjes in pastelzachte kleuren. Uitdagende pakjes met veel lovers en glitters. Overvloedig gesteund door make-up oefenen ze hun bekoorlijkste glimlach.

Toch blijft het kil in De Vliert. Op het ijs is het zweten en zwoegen meestal al te zichtbaar. Op de tribunes komen de tientallen bezoekers - meest familieleden - zelden verder dan een plichtmatig applaus. Kunstrijden in Nederland is sappelen in de schaduw. Uitglijden en weer opstaan en toch verdergaan.

Wat stelt het kunstrijden in Nederland nou eigenlijk voor? Achtentwintig verenigingen. Zo'n 700 sporters die aan wedstrijden mogen meedoen. Een kloof die hen scheidt van de internationale top. Terwijl het kunstrijden mondiaal hoog in aanzien staat, heerst in de Lage landen het schaatsen om het hardst.

Dat beeld klopt, maar miskent de vooruitgang die de laatste jaren is geboekt. Het doet geen recht aan de enorme inspanningen die de Nederlandse toprijders zich getroosten voor hun sport. Het gaat ook voorbij aan de handicaps waarmee het Nederlandse kunstrijden leven moet.

Anno 1991 trekken internationale wedstrijden in Den Bosch nauwelijks publiek, maar een kwart eeuw geleden is het kunstrijden in Nederland ongebreideld populair geweest. Dat waren de jaren waarin Sjoukje Dijkstra en Joan Haanappel hun triomfen vierden. Sjoukje Dijkstra won vijf Europese titels, drie wereldtitels en een Olympische medialle. Menig meisje droomde van kunstschaatsen en pirouettes en Holiday on Ice.

Maar om te schitteren in het kunstrijden was ook toen al meer nodig dan een paar schaatsen. Kunstrijden is bij uitstek een technische sport die veel oefening vergt. Om genoeg te kunnen schaatsen was Sjoukje Dijkstra gedwongen naar Groot-Brittannie te gaan, begeleid door een trainer die door vader Dijkstra betaald werd. Mede dankzij de successen van Sjoukje Dijkstra verrezen er vanaf het midden van de jaren zestig weliswaar ook in Nederland steeds meer kunstijsbanen. Maar een planmatige opbouw van het kunstrijden bleef uit. De sport schoof snel naar de marge, zakte weg in de vergetelheid.

Sindsdien bezetten Nederlandse deelnemers bij internationale wedstrijden regelmatig de laatste plaatsen. Vaak besloot de KNSB maar liever helemaal geen afgevaardigde te sturen naar een Europees kampioenschap. Omdat deelname al te beschamend zou zijn. Het Nederlandse kunstrijden in die tijd leek voornamelijk een hobby van welgestelde moeders, die met hun geld en dochters wilden pronken. Tijdverdrijf voor de nouveaus riches.

Dat was de situatie die Wim Schenk in 1985 aantrof toen hij voorzitter van de Landelijke Technische Commissie Kunstrijden werd. Bijgestaan door technisch adviseuze mevrouw Sjoukje Kossmayer-Dijkstra kwam die commissie met een vijfjarenplan om het kunstrijden uit het slop te halen. Een plan dat volgend jaar afloopt. Belangrijkste doelstellingen: verbreding van de basis en aansluiting vinden bij de subtop van Europa.

Wim Schenk is ervan overtuigd dat die doelen worden gehaald. Terwijl beneden sierlijk wordt geschaatst op de klanken van Schubert, trotseert hij boven in de bar de dreun van de Hiphop. Hij wijst erop dat het aantal wedstrijdrijders de afgelopen vijf jaar meer dan verdubbeld is. Tevreden herinnert hij eraan dat Marion Krijgsman dit jaar 16e is geworden bij de Europese kampioenschappen en 21e bij de wereldkampioenschappen. En hij ziet alleen maar vooruitgang. Klassering bij de eerste vijftien van Europa zit er voor zowel Marion Krijgsman als Alcuin Schulten zeker in, meent Wim Schenk.

Maar belangrijker nog vindt hij dat hun opvolgers al staan te dringen. Volgens Schenk zijn er zeker vijf meisjes die Marion Krijgsman binnen twee jaar zware concurrentie zullen aandoen. De vrucht van een beleid dat gericht is op de jeugd. Hij zegt dat de junioren B nu al beter rijden dan de senioren in 1985.

Jeroen Alingh Prins, internationaal jurylid uit Den Haag, bevestigt dat het Nederlandse kunstrijden de laatste jaren sterk vooruit is gegaan. Tegelijkertijd voegt hij eraan toe dat het verschil met de internationale top nog altijd groot is. Nederlandse rijders maken minder moeilijke sprongen en ze springen hun moeilijke sprongen minder zeker. Ook bewegen ze minder soepel en snel.

Marion Krijgsman schaatst al sinds haar vierde en zou graag de absolute top bereiken. Maar of dat haalbaar is? Ze traint per week zo'n 20 uur, waarvan 18 uur op het ijs. Meer zit er niet in, want ze moet toch al het hele land doorreizen om aan voldoende trainingsuren op een kunstbaan te komen. En ze gaat ook nog naar school. “Je moet toch ook een sociaal leven hebben.” Maar haar grootste concurrenten trainen 30 uur per week, zegt Schenk. Die hebben de faciliteiten onder handbereik. Die kunnen het hele jaar door terecht op kunstijs. Terwijl in Nederland alleen ijsstadion De Vliert elk jaargetijde open is. De andere banen zijn zeven maanden per jaar gesloten.

Wim Schenk en Sjoukje Kossmayer-Dijkstra zijn ervan overtuigd dat het Nederlandse kunstrijden ondanks de beperkingen van geld, talent en trainingsfaciliteiten verder kan groeien en gedijen. Tegelijkertijd beseffen ze dat alleen aansprekende prestaties voor een echte doorbraak kunnen zorgen. “Maar hoe kom je onder de huidige omstandigheden aan zulke prestaties?”, schetst Marion Krijgman de vicieuze cirkel waarin het Nederlandse kunstrijden rondtolt. Telkens krijgt ze te horen “dat het kunstrijden toch niet veel voorstelt”. “Zonde voor ons, omdat we er heel veel voor doen.”

    • Dick Wittenberg