Zegwaard bij rechtbank voor diverse aanklachten gedagvaard

DEN HAAG, 23 NOV. “Alle verwijten die ze me maken, zijn onterecht. Ik heb altijd volgens het boekje gehandeld”, verklaarde W. Zegwaard enkele weken geleden in Vrij Nederland en daarmee herhaalde hij wat hij steeds heeft beweerd: dat hij part noch deel had aan de ernstige milieudelicten waarvan justitie hem beschuldigt. Aanstaande maandag staat de 47-jarige directeur van de voormalige afvalonderneming uit Delft terecht voor de Haagse rechtbank, ruim tweeënhalf jaar nadat openbaar ministerie en politie, met ondersteuning van het milieubijstandsteam, een grootscheepse inval hadden gedaan bij zijn bedrijf. Ook enkele bv's die deel uitmaakten van de wijdvertakte Zegwaard-groep en drie medewerkers zijn gedagvaard in een proces, waarvoor de rechtbank in totaal vier dagen heeft uitgetrokken.

De aanklacht valt in diverse onderdelen uiteen. Er is sprake van oplichting, valsheid in geschrifte (bijvoorbeeld het vervalsen van grensdocumenten en weegbonnen) en overtreding van de Wet Chemische Afvalstoffen, terwijl Zegwaard in algemene zin wordt aangewreven dat hij leiding gaf aan een organisatie "die het plegen van misdrijven tot oogmerk had'. En dat alles gedurende een reeks van jaren tot 1989, toen niet alleen die inval plaatsvond (11 april), maar Zegwaard ook werd overgenomen door de Amerikaanse afvalgigant BFI (Browning Ferris Industries) en werd omgedoopt in West-Holland Milieu.

De justitiële actie tegen Zegwaard vloeide destijds voort uit het onderzoek naar onder meer de praktijken van transporteur S. Kemp uit Hazerswoude, die later tot viereneenhalf jaar werd veroordeeld wegens illegale stortingen van chemisch afval in Alphen aan den Rijn en het Waalse Mellery onder Brussel. Ook in de zaak-Zegwaard komt een belangrijke Nederlands-Belgische "afvalconnectie' aan de orde, ditmaal toegespitst op het bij Mellery gelegen Mont-Saint-Guibert, waar Zegwaard jarenlang bedrijfsvuil bracht, hoewel er sinds medio 1983 in Wallonië een algemeen stortverbod voor buitenlands afval gold.

Zo staat het tenminste in de dagvaarding, maar het wordt betwist door de advocate van Kemp, mr. Y. van Boxel, die vorige week in hoger beroep aanvoerde dat het bewuste Waalse decreet pas op 19 maart 1987 in werking trad. Tot die datum zou er dus niets onwettigs aan de hand zijn geweest. Wat de firma Zegwaard betreft ging het volgens verdachte W. Zegwaard om 290.000 ton afval, waaronder een vracht steenkoolteerpek van de Rotterdamse firma Aluchemie. In Vrij Nederland deed de directeur hieromtrent een opmerkelijk aanbod: “Als blijkt dat ik dat afval niet in Mont-Saint-Guibert had mogen brengen, dan haal ik het gewoon terug. Als ik daar 290.000 ton heb gebracht, dan ga ik 290.000 ton terughalen.”

Bij dit alles deed zich het verschijnsel voor van een provinciale overheid die de transporten oogluikend toestond. Dit valt bijvoorbeeld af te leiden uit het verslag van een vergadering met afvaltransporteurs op 30 januari 1986 in het Zuidhollandse Provinciehuis. In dat verslag stond letterlijk: “De voorzitter (een provincieambtenaar - red) deelt mede dat uit overleg met de AVR (Afvalverwerking Rijnmond) gebleken is dat er geen ruimte meer is om bedrijfsafval te verwerken. Dit betekent dat er in ieder geval tot 1.1.87 een oplossing gevonden moet worden. Deze is in feite aanwezig in de vorm van afvoer naar België (hoewel niet gelegaliseerd).” Hiermee werd het clandestiene karakter van afvaltransporten naar Wallonië expliciet erkend.

Het was vooral de kleine Socialistiese Partij (SP) van "milieudetective' R. Poppe die zich hierover opwond. Waar de SP het provinciebestuur van grove nalatigheid betichtte, beriep milieugedeputeerde ir. J. van der Vlist zich op een soort "wie zwijgt stemt toe'-regeling. Hijzelf gebruikte - in antwoord op vragen uit Provinciale Staten - de term "fictieve weigering'. Dat wil zeggen dat Wallonië geen officiële vergunningen of ontheffingen verstrekte om bedrijfsafval te laten storten, maar op desbetreffende verzoeken evenmin afwijzend beschikte. Dus reden de transporteurs met hun kolonnes naar de zandgroeven van Mont-Saint-Guibert en Mellery.

De aanklacht tegen Zegwaard vermeldt intussen ook overtredingen van de Wet Verontreiniging Oppervlaktewater. Het bedrijf zou van februari tot juni 1987 via de Delftse riolering en de mechanische zuivering Houtrust en tegen de regels asbesthoudend slib in zee hebben geloosd.

Verder worden in de tenlastelegging diverse facturen van Zegwaard (bestemd voor onder andere de Nederlandse Spoorwegen en de ANWB) opgevoerd die volgens justitie ten onrechte gewag maken van "stortingskosten AVR' dan wel "verwerkingskosten AVR'. Die letters staan hier voor de chemische poot van het bedrijf in de Botlek. Het openbaar ministerie beschuldigt Zegwaard ervan zijn klanten een prijs gebaseerd op het AVR-tarief voor de verwerking van chemisch afval in rekening te hebben gebracht, “terwijl in werkelijkheid de vracht niet of slechts gedeeltelijk aan de AVR was afgegeven”. Oplichting dus.

Alphen aan den Rijn komt in de dagvaarding niet ter sprake, net zo min als transporteur Kemp, al hebben die twee geruime tijd samengewerkt. Kort nadat het Alphense gifschandaal tot uitbarsting was gekomen, maart 1988, kwam de SP met een zware beschuldiging tegen Zegwaard, samengevat in de woorden van Remi Poppe: “Zegwaard schakelde Kemp in om vuile karweitjes, zoals de illegale stort van gevaarlijk afval, op te knappen.” Zegwaard pikte dat niet en spande een kort geding tegen de SP aan, waarop de rechter besliste dat de partij haar "ongefundeerde uitlatingen' over de Delftse firma moest staken. Wel kwam vast te staan dat Kemp huisvuil voor Zegwaard vervoerde en dat ze vroeger samen een bv hadden: de viskwekerij Deli-fish in Hazerswoude.

Een jaar later, 11 april 1989, volgde de inval bij Zegwaard, waarbij de complete administratie werd meegenomen. Vijfhonderd dozen bleken nog onvoldoende om de vracht te bergen. Tot het schaarse papier dat politie en justitie lieten liggen, behoorden exemplaren van het huisorgaan "Zegwaardigheden'. In het septembernummer van 1988 was een bijdrage van minister Nijpels opgenomen onder de ferme titel: "Ik zal niet nalaten sjoemelaars genadeloos aan te pakken'.

Dat etiket, sjoemelaar, was nu ook op de eigen firma geplakt, maar Zegwaard ontkende nog diezelfde dag in alle toonaarden: “Wij hebben niets, maar dan ook niets met chemisch afval te maken.”

J.M. den Uyl was in 1947 redacteur van het weekblad Vrij Nederland en behoorde tot de oppositie in de Partij van de Arbeid, die het besluit van de regering-Beel, een coalitie van de KVP en de PvdA, om tot een politionele actie over te gaan kritiseerde. In tegenstelling tot bij voorbeeld L. de Jong bleef hij evenwel lid van de partij. In 1974, toen de dekolonisatie van Suriname zich aankondigde, was hij minister-president. Het jaar daarop, 1975, werd onder zijn politieke leiding dat land onafhankelijkheid verleend. Achteraf beschouwde hij dat als het grootste succes van zijn kabinet, maar die uitspraak deed hij voor de moord op Surinaamse politici en intellectuelen op 8 december 1981. De snelheid van de toenmalige besluitvorming en de generositeit van de bruidsschat, die Den Uyl en de toenmalige minister voor Ontwikkelingssamenwerking, Jan Pronk, het nieuwe Suriname schonken, zijn niet los te zien van Den Uyls herinnering aan de conflictueuze dekolonisatie van Indonesië.