Het nieuwe casino aan Max Euweplein in Amsterdam; Een badplaats in binnenstad

Veel casino's zijn weggestopt in hotels, maar het nieuwe gokpaleis in Amsterdam, dat afgelopen zaterdag werd geopend, is ondergebracht in een groot, nieuw gebouw met een lange, licht gekromde gevelwand langs de Singelgracht. Het ligt aan het al even nieuwe Max Euweplein, dat vroeger de luchtplaats van een gevangenis was. “Waarom is deze elegante, voor het 'Holland Casino in het Lido' gezichtsbepalende gevel zo onbevredigend? Omdat het gezicht geen hoofd heeft.”

Kent u mensen die regelmatig gokken in een casino? Dat kan bijna niet anders. Het nieuwe 'Monte Carlo aan de Amstel', dat niet aan de Amstel ligt maar aan de Singelgracht, verwacht vijfentwintighonderd spelers per dag, dat is bijna één miljoen per jaar. Het zijn natuurlijk vaak dezelfde mensen die naar het casino gaan, maar dan nog vind ik het een ongelooflijk aantal. De schatting is niet uit de lucht gegrepen, want het oude Monte Carlo aan de Amstel, de zwarte glazen doos naast het Hilton Hotel, telde het afgelopen jaar zeshonderdduizend bezoekers en het nieuwe is drie keer zo groot. Het eigenaardigste van alles vind ik dat er blijkbaar een voor mij volslagen onbekend volk bestaat, dat elke dag of nacht van een andere planeet komt neergedaald om zich in een gewatteerde, halfduistere fabriek aan dit kostbare, rituele vertier over te geven.

Die speelplaatsen van een heel volk dat ik niet ken, bevonden zich tot nu toe op plekken in stad of land waar ik nooit kom. Of, als ik er wel kom, zijn ze zo stevig verpakt, in grote hotels bijvoorbeeld, dat ze zich niet als afzonderlijke gebouwen laten kennen. Dan bestaan ze ook niet werkelijk. Twee casinogebouwen maken een uitzondering op de afwezigheid van de soort in mijn bewustzijn, het casino in Breda, ontworpen door Jan Hoogstad, en dat in Zandvoort van de hand van Sjoerd Soeters. Het casino van Soeters bestaat nog niet zo lang en is zo uitzinnig en bizar vormgegeven dat het zonder moeite in het rijtje meest vermakelijke gebouwen van Nederland thuishoort en daarmee even onbevattelijk is gemaakt voor de kritische architectuurbeschouwing als een kermistent. Het casinogebouw van Hoogstad in Breda is, zo weet ik van afbeeldingen, veel serieuzer van toon, maar omdat ik er nog nooit letterlijk bij heb stilgestaan, is het voor mij geen levende schepping.

Het nieuwe 'Monte Carlo aan de Amstel' zoals de kop van een toffe, in vlekkerig oranjerood gestoken advertentiepagina luidde, is dus mijn eerste, echte casinogebouw. Het werd afgelopen weekend met veel draaiorgels en bombarie door de burgemeester van Amsterdam geopend.

Mortuarium

Vergeleken met het casino van Soeters in Zandvoort, is het uiterlijk van het complex van prof. ir. H.J.M. Ruyssenaars een toonbeeld van soberheid en eenvoud. Net als bij het Muziektheater van Cees Dam op het Waterlooplein, bestaat het gezicht van het gokgebouw uit een dubbele schermgevel, die sierlijk lichtgebogen de oeverlijn van de Singelgracht volgt en de reusachtige ronde speelzaal met de nu al legendarische koepel van gekleurd glas onttrekt aan het oog van de buitenstaander. De oude, godzijdank bewaard gebleven en mooi opgeknapte Lido-villa aan de Leidsekade vormt het stootblok van de verticaal gelaagde gevelwand die is bekleed met wit marmer, afgezet met zwarte natuursteen. Hierdoor onstaat een rouwrand-impressie waardoor het casino al de bijnaam 'het mortuarium' heeft gekregen. De gevel draagt grotendeels een glazen luifel en de zwarte, ijzeren constructie die de luifel omhoog houdt, waaiert op de hoeken uit als het nervenpatroon van een waterlelieblad, zodat het maar een klein stapje is naar de toegangspoort van de Parijse metrostations uit de tijd van de Art Nouveau.

Waarom is deze elegante, voor het 'Holland Casino in het Lido' (advertentietekst) gezichtsbepalende gevel zo onbevredigend? Omdat het gezicht geen hoofd heeft. Er is geen gebouw. Alleen een rommelige, industriële verzameling aluminium pijpen, technische installatiedozen van hetzelfde materiaal en een glimp van de koepeldakconstructie wijzen erop dat zich achter het zwartwitte masker een overdekte ruimte bevindt. In visueel opzicht is de dubbele gevel een loos gebaar dat, aan de kant van het nieuwe Max Euweplein, hulpeloos uitloopt in drie schriele, losstaande panelen waartussen de rommelige, volstrekt onoverzichtelijke ingang van de speelindustrie is gewurmd. Dat hier het complex kan worden betreden, krijgt de bezoeker ingepeperd door een stelsel van ijzeren, geknikte perronluifels die boven en naast elkaar hangen en moeten uitnodigen om eronderdoor te lopen. De configuratie van de toegangspartij is overdreven ondoorzichtig; studenten in de constructieleer die er eventueel een scriptie over willen schrijven, zullen er een harde dobber aan hebben. Bovendien lijdt de casino-ingang aan hetzelfde euvel als de gevel: hij lijkt nergens voor te staan, het gebouw waar je naartoe wandelt is er eigenlijk niet.

Wie de werkelijke massa van het casino-bouwwerk wil ontdekken, moet door de steeg lopen die de Leidsekade met het Kleine Gartmanplantsoen verbindt. Hier meandert zich een even prachtige als machtige muur van witte baksteen met, als enige onderbreking, een snoer van kleine, vierkante raampjes die verwijzen naar de gevangenis die op dit oorspronkelijke rondeel heeft gestaan en nog gedeeltelijk staat. Want een van de hoofdoorzaken van de krampachtige, onoverzichtelijk architectuur die hier in het hart van Amsterdam aan het Leidseplein is verwezenlijkt, is de krankzinnige politieke voorwaarde die in de jaren tachtig onwrikbaar na een indrukwekkende geschiedenis van inspraak, teach-ins, hoorzittingen en actiegroepen als Bouw-es-wat-Anders werd vastgelegd, namelijk dat het oude Huis van Bewaring niet mocht worden afgebroken. Een architectonisch en stedebouwkundig onvolkomen stadsdeel is het gevolg van deze beslissing, die evenzeer van gebrek aan verbeeldingskracht getuigt als al die andere verkeerde besluiten van het Amsterdams stadsbestuur om gebouwen wèl af te breken. Steeds als ik langs de hartverscheurende puinhopen van De Wielingen kom, denk ik dat iedereen met een bestuurlijk gezaghebbende stem in Amsterdam gek is geworden. En, hoewel ik weet dat het weer zal worden opgebouwd, denk ik hetzelfde als ik de Sociale Verzekeringsbank van Roosenburg passeer. Ook daar is nu een sieraad met de grond gelijk gemaakt en dat is een vreselijk gezicht.

Brug

De gevangenis mocht niet worden afgebroken. Met het door zijn centrale ligging dominante kruisgebouw moest in de nieuwe opzet terdege rekening worden gehouden. Naast het casino van Ruyssenaars kreeg architectenbureau Pieter Zaanen de opdracht om voor het zogenaamde bajesterrein een nieuw stadswijkje te ontwerpen. De zo langzamerhand in Amsterdam vertrouwde, kool en geit sparende hutspot van alle denkbare bestemmingen - sociale woningbouw, kantoren, winkels en horeca - gold ook voor dit unieke gebied dat een brug moest slaan tussen het Leidseplein en het Museumplein, of liever gezegd de P.C. Hooftstraat. Projectarchitect van het bureau Zaanen, Kees Spanjers, kreeg de ontwerp-verantwoordelijkheid en hij begon met een goed ding. Hij bestemde de vroegere luchtplaats voor een zuiver rond plein. Omdat de burgemeestrer dol is op schaken, kwam gelukkig de naam Fortuna Plein in de prullenbak terecht en werd de mooie ruimte Max Euweplein gedoopt. De tweede goede ingreep van Spanjers is de nieuwe brug, die loopt van het Max Euweplein naar de ingang van het Vondelpark. De brug is wat log uitgevallen, mede omdat de brandweer eroverheen moet kunnen rijden. De schaker Hein Donner tetterde altijd iedereen die het horen en ook niet horen wilde in de oren dat bescheidenheid een van de vreselijkste ondeugden is. Daarom is het juist, dat die overdreven, onbescheiden brug de Hein Donnerbrug is genoemd. Maar het is jammer dat hij, op zo'n kwetsbare plaats in de stad, op geen enkele manier een voortzetting is van de traditie die Amsterdam kent op het gebied van zorgvuldige en trefzekere brugontwerpen.

In de hernieuwde bebouwing van de gevangenis valt een andere brug, of liever bruggetje te ontdekken, dat weer doorschiet naar de andere kant en met veel te veel fantasie is getekend. Het valt te zien terzijde van het peristylium achter de ook al weer loze kolonnade met de spreuk 'Homo sapiens non urinat in ventum', waarvoor ieder zo zijn eigen vertaling heeft. Het bruggetje is smal en kort, niet voor het publiek bestemd en verbindt ter hoogte van de eerste verdieping twee bouwblokken met elkaar. Het loopt over een wandelpad als over een Venetiaans kanaaltje en de vormgeving is een typerend staaltje van de oppervlakkig epaterende, overdadige manier waarop de bebouwing en de verbouwing van respectievelijk het gevangenisterrein en de bajesrestanten is aangepakt.

Zoals het casino-complex alleen bestaat bij de gratie van de achterkant, zo bestaat de bebouwing rond het Max Euweplein alleen dankzij een kakofonie van modieuze stileringen zowel in vorm als kleur. Een dergelijk goedkope schepping kan niet anders dan een tijdelijk bestaan zijn beschoren.

Natuurlijk zal het gestelde behoud van het Huis van Bewaring de vrijheid van ontwerpen enorm hebben gedwarsboomd. Het optillen van de lange zadeldaken van het kruisgebouw waardoor er ter hoogte van de zolderverdiepingen smalle, horizontale raamstroken konden ontstaan, is een voortreffelijke ingreep geweest. Maar waarom zijn de oorspronkelijke baksteenkleuren van de gevangenismuren niet uitgebuit. Het voormalige stadhuis aan de Oude Zijds Achterburgwal dat nu ook tot hotel wordt omgevormd, het Prinsenhof dat plat en fantasieloos 'Grand Hotel' gaat heten - ik zou als buitenlander in Amsterdam veel liever in Het Prinsenhof logeren - is net zo glorieus uit de baksteen-elevatie tevoorschijn gekomen als bijvoorbeeld het vroegere gebouw van de Gemeentetram aan de kop van de Overtoom. Waarom al die kostbare baksteengevels van de gevangenis pastelgroen geschilderd? En waarom al die garnituur in de vorm van gele buizen, gekleurde tegelplintjes, gouden knoppen, buizen met schril groen neonlicht, kerstboompieken en vooral: loze timpanen?

Het timpaan is letterlijk de klerenhanger van de hedendaagse architectuur geworden. Moet het centrum van een kleurloos gebouw of een toegangspartij van een doodgewoon winkelcentrum een 'extra accent' krijgen, dan hangen we het op aan een gouden timpaan, als een kledingstuk aan een klerenhanger. Het is de architectuur van de versierdrift die voor opwindende, kortstondige effecten moet zorgen, waarmee de gebouwen rond het Max Euweplein zijn vol gehangen.

Van de lange, tumultueuze geschiedenis van het Lido zal ik in elk geval één beeld nooit vergeten. De gevangenis was al lang verhuisd naar de Bijlmermeer en het modderige terrein aan het water van de Singelgracht diende scharrelaars en daklozen. Halverwege de jaren tachtig werd op deze plaats, tegen het grimmige decor van de gevangenismuren, 'Lido Beach' ingericht. Het was een namaakstrand met echte ligstoelen en imitatie-palmbomen. Een badplaatsje in de stad. In het karakter van dit stukje van het hart van Amsterdam is eigenlijk niet veel veranderd.

Het frisse Lido Casino, de lage huizenblokken, opgetrokken uit strandkleurig baksteen met lelijke, donkergroene borstweringen voor de balkons tegen de gure zeewind, de vlaggestokken, het ruimtelijk mooie, maar boomloze plein met een kunstige, watervallende fontein, de timpanen waaraan de pastelkleurige bouwwerken zijn opgehangen, de boutiques die flonkeren als aan een boulevard.

In het centrum van Amsterdam is een wijkje opgebloeid dat de luchthartige, behaagzieke vormgeving van een badplaats vertoont. Lido Beach Revisited. Dit is nou, wat je noemt, een kapitaal misverstand.