TENTOONSTELLING IN NEW YORK OVER DE DOOD; Alleen een pop houdt de ogen open

"The Interrupted Life'. Antonin Artaud, Nayland Blake, Joseph Beuys, Sophie Calle, Peter Greenaway, Bruce Nauman, James Van Der Zee, Andy Warhol, David Wojnarowicz, en anderen. The New Museum of Contemporary Art, 583 Broadway. T-m 29 dec. Inl 09-12122191355.

“Kan een kunstwerk dienen als een effectieve bemiddelaar tussen ons en de dood?” is de vraag van curator France Morin in de catalogus bij de thematentoonstelling "The Interrupted Life' in The New Museum of Contemporary Art in New York. Nu is kunst samen met religie ongeveer het enige dat we hebben om ons te verzoenen met de eindigheid van het leven. Desalniettemin is het interessant hier te gaan kijken hoe het is gesteld met de hedendaagse, voornamelijk westerse kunstenaar in zijn rol van priester. Helaas; wie troost of een groter inzicht in het mysterie of zelfs maar ontroering verwacht, komt goeddeels bedrogen uit.

Foto's en installatie zijn het voornaamste uitdrukkingsmiddel van de veertig bekende en onbekende kunstenaars die zich vooral laten zien als journalist, decorbouwer of rekwisiteur. Veel foto's zijn nogal schokkend: de titel van de tentoonstelling verwijst niet naar de dood als logisch einde van een lang leven, maar naar een onverwachte gebeurtenis, bij voorbeeld door geweld. Brian Wells foto van een veertienjarige jongen, “doodgestoken door een inbreker met een keukenmes in zijn moeders bed” is slechts één voorbeeld. Je wordt er echter niet wijzer van dan van het doornemen van de krant. Alleen de "Postmortem' portretten uit de verzameling van Stanley B. Burns ontroeren, vooral door de poging van de nabestaanden om een mooie herinnering te bewaren. Deze zijn overigens in de vorige eeuw gemaakt, door anonieme fotografen. Er is er één van een beeldig aangekleed dood meisje dat op een bed uitgestrekt is, met een pop die de ogen open heeft in de armen. Dit beeld heeft een echo in "Snowwhite and the Broken Arm' (1988), van de Nederlandse Marlene Dumas. Haar bijdrage valt alleen al op doordat dit op de tentoonstelling het enige schilderij is in traditionele zin. Op een tafel ligt een vrouw, een hand met een polaroidcamera (?) bungelt tot op de grond, waar wat polaroidfoto's liggen. Zeven dwergen (kinderen?) kijken toe. De grijsgroene tinten dragen bij tot een geheimzinnigheid, die het gevoel geeft een raadsel te moeten oplossen en dat de oplossing ervan misschien ook de dood wat minder mysterieus zou maken.

Zoiets ontbreekt bij de meeste installaties. Alleen Christian Boltanski en Tadeusz Kantor hebben genoeg zeggingskracht. Kantor zet in "Les Enfants de la Classe Morte' (1975) de kijker als schoolmeester voor een paar rijen ernstige, stijve, in het zwart geklede leerlingen, in houten schoolbanken. Wat heeft hij deze dode kinderen te vertellen? Bij Boltanski krijg je een brok in de keel door zijn verbeelding van de afwezigheid in zijn "Réserve du Musée des Enfants' (1991). Het bestaat uit twee hoge houten rekken in een donker smal gangetje, die volliggen met keurig opgevouwen, gebruikte kinderkleding. Het zwakke licht van kleine lampjes doet alle kleuren vergrijzen. Voor een spoortje van humor, toch een belangrijk element in een rouwproces, kan men slechts terecht bij het altaar van Amalia Mesa-Bains, dat gebaseerd is op het Mexicaanse Dodenfestival van de Dia de los Muertos. Er heerst een rommelige vrolijkheid, met vergulde engeltjes, suikeren doodskopjes, rozenblaadjes, speelkaarten, bidplaatjes, een portretje van Frida Kahlo. Het brengt de doodskisten van Kane Kwei terug in de herinnering in de vorm van een Mercedes of een Pan Am-vliegtuig, op de vorige tentoonstelling in het New Museum, over 20ste-eeuwse Afrikaanse kunst. "The Interrupted Life' benadrukt, op een paar uitzonderingen na, vooral de westerse onmacht en afstandelijkheid in de omgang met de dood.