"Prinses' La Pat zingt vol overgave in eigen solo-opera

Voostelling: La Gabbia d'Oro van Patty Trossèl en Peter van Hintum (arrangementen) door La Pat en ensemble o.l.v. Peter van Hintum. Gezien: 30-10 Concertgebouw Amsterdam. Herhalingen: 1-11 Vrije Vloer Utrecht; 10-11 Nighttown Rotterdam; 15, 16-11 Patronaat Haarlem; 6-5 Wijgrachttheater Kerkrade; 7-12 Speeldoos Zaandam; 11-12 't Paard Den Haag; 11-12 Schouwburg Enschede; 14-12 Oosterpoort Groningen; 19, 20,21- 12 Ancienne Belgique Brussel.

Naar een operavoorstelling is La Pat naar eigen zeggen nog nooit geweest, althans niet dat ze nu nog weet. Wel was ze één keer eerder in het Amsterdamse Concertgebouw. Gisteravond stond La Pat op het podium van dat Concertgebouw en ze bracht daar voor een overvolle en enthousiaste zaal de wereldpremière van haar eigen opera La Gabbia d'Oro op de plaats waar ooit haar idool Kathleen Ferrier stond, lang voor La Pat werd geboren. Het intermezzo van de opera - het begin van Brahms' Altrhapsodie op een tekst uit Goethe's Harzreise im Winter - was dan ook een hommage aan Ferrier van La Pat, zelf ook altzangeres.

De "zangsensatie' La Pat is een verschijningsvorm van de 28-jarige Patty Trossèl, componiste van liedjes van Theo & Thea en van de soundtrack van de film Theo & Thea en de ontmaskering van het tenenkaasimperium. Hoewel Trossèl zegt nooit naar opera te gaan, blijkt uit alles dat ze het verschijnsel meer dan oppervlakkig heeft bestudeerd. Haar intermezzo met Brahms' Altrhapsodie staat vrijwel op de plaats waar in Cavalleria Rusticana het befaamde Intermezzo wordt gespeeld.

Verder zijn er drie delen met elk een eigen dramatische inhoud, voorafgegaan door een introductie die deels bestaat uit het recitativo e lamento Lasciatemi morire (Laat mij sterven) uit de verder verloren gegane opera Arianna van Claudio Monteverdi. Origineel van La Pat is natuurlijk om te beginnen met zo'n stervensverlangen en de solo-opera verder in twintig in het Italiaans gezongen nummers te ontwikkelen naar een happy end met de song Heaven.

La Gabbia d'Oro (De Gouden Kooi) is het verhaal van een in haar dromen gevangen vrouw, gekweld door tegenstrijdige gevoelens van de vrouwelijke en mannelijke personages in haar ziel. Ze is op zoek naar zichzelf en hoopt op verlossing van de schijnwereld om haar heen. Eerst is ze nog de Gouden Sterrenprinses, beheerst door ijdelheid, maar bij haar sterven ontworstelt ze zich daaruit als de Maanvrouw, die leeft in vrede met de realiteit.

Deze analyse is ontleend aan het programmaboekje, de argeloze bezoeker van La Gabbia d'Oro zal het zonder die uitleg niet meteen begrijpen, maar dat geldt voor de meeste opera's. La Gabbia d'Oro is een ego-drama dat de persoonlijke ontwikkeling van Patty Trossèl heet te beschrijven. Niet elke ijdelheid is haar vreemd: ze overtreft zelfs Wagner door behalve tekst en muziek ook nog de vocale uitvoering en de "regie' voor eigen rekening te nemen.

Maar van een echte enscenering is geen sprake, evenmin als van de dramatische vorm en de uiterlijke kenmerken van een echte opera, al is er een ondersteunend koor van twee zangers. Naast de bleek-blauwe belichting is slechts de kostumering van La Pat het duidende element. Als ijdele sterrenprinses is ze gekleed als een bourgeoisdame van een eeuw geleden: in robe met queue, bekroond door een hoed als een lampekap. Als niet langer ijdele Maanvrouw heeft ze een eenvoudige witte jurk aan en bestijgt ze tenslotte de lange trap van het Concertgebouw, op weg naar Heaven.

Voor het overige is La Gabbia d'Oro een liederencyclus van 75 minuten, gebracht als serieus recital met ensemble-begeleiding, zonder enige ironie of zelfs maar een knipoog naar diva's en prima donna's. De teksten zijn op passende wijze pathetisch en beeldend (Mijn lege hoofd irriteert mij. (-) Alsjeblieft, eet mijn anker niet op). De muzikale stijl is vooral ontleend aan de wereld van de Argentijnse tango en klinkt met bandoneon, saxofoon, geladen stiltes, glissandi en ijzige flageoletnoten. Het werkt als een indringend eerbetoon aan Astor Piazolla, wel merkwaardig Oosteuropees gekleurd door de zigeunerachtige viool van Alexander Balanescu. Maar Balla, Dondola mi kan weer zó naar het festival van San Remo.

La Pat zingt met overgave maar zonder overdreven pathos, met een afwisselend natuurlijke en geschoolde (opera)stem, waarbij heesheid en onbekommerd vibrato elkaar telkens opvolgen. Soms eindigt een lied in een opgeluchte zucht. Het allermooiste is de in elkaar overlopende reeks nummers Non ti avvicinarti-Tu stolta dorata etc. Het begint als een stijlcitaat uit de Philip Glass-opera Satyagraha en eindigt in de sfeer van Andrew Lloyd Webbers musical Evita: daar zijn we weer thuis in Argentinië. Eind deze week verschijnt La Gabbia d'Oro bij EMI op cd.

    • Kasper Jansen