Pleidooi van vertrekkend directeur-generaal Okkerse: "Universiteit moet onderwijs opwaarderen'

ROTTERDAM, 31 OKT. Aan de universiteiten moet het geven van onderwijs even prestigieus worden als het doen van onderzoek. Daartoe is het nodig onderwijs hetzelfde te honoreren als onderzoek. Het hoogleraarschap moet niet langer alleen openstaan voor hooggekwalificeerde onderzoekers, ook medewerkers die uitstekend onderwijs geven moeten hoogleraar kunnen worden.

Dat vindt dr. B. Okkerse, die vandaag zijn functie neerlegt als directeur-generaal voor het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. Hij noemt het voor de universiteiten, maar ook voor de hogescholen, een “enorme uitdaging” de komende jaren de status van het onderwijs te verhogen. Dat is echter onmogelijk “zolang elke medewerker aan een universiteit ervaart dat zijn onderzoek zwaarder worden gewogen dan zijn prestaties op het gebied van het onderwijs”.

Okkerse (62) wordt voorzitter van het Algemeen bestuurscollege van de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag. Staatssecretaris Klein trok de hoogleraar in de fysische chemie in 1976 aan als plaatsvervangend directeur-generaal op het ministerie van onderwijs. In 1988 werd hij directeur-generaal.

De universiteiten zijn er uiteindelijk primair voor het onderwijs in de eerste èn in de tweede fase, aldus Okkerse, die constateert dat in het afgelopen decennium de nadruk wel erg op het onderzoek lag. Maar daar komt verandering in: “De instellingen zijn al enkele jaren bezig met het opwaarderen van het onderwijs. Maar die pogingen kunnen pas echt succesvol zijn als in de primaire arbeidsvoorwaarden niet langer onderscheid wordt gemaakt tussen onderwijs en onderzoek. Iemand die goed onderwijs geeft moet evenveel kunnen verdienen als een goede onderzoeker. In het rangenstelsel hoort het verschil tussen onderwijs en onderzoek te verdwijnen: goed onderwijs moet hetzelfde carrière-perspectief bieden als goed onderzoek.”

De functies van onderwijs en onderzoek moeten uit elkaar worden gehaald, meent Okkerse. Hij noemt het niet langer vanzelfsprekend dat een medewerker zowel onderwijs geeft als onderzoek doet. “Het is hetzelfde als in een bedrijf. Daar gaat er toch ook niemand van uit dat een medewerker alle taken kan uitoefenen die er zijn. Waarom zou dat aan een universiteit anders zijn? Bovendien weet ik uit ervaring dat voor menige medewerker het onderzoek inderdaad een last is. Die mensen zouden veel beter af zijn, met veel meer plezier hun werk doen als zij zich concentreerden op het onderwijs.”

Dat neemt niet weg dat Okkerse vindt dat juist op het onderwijs nog wel wat kan worden bespaard. “Het onderwijs kan nog veel efficiënter worden opgezet. Moderne informatietechnologie wordt nog nauwelijks gebruikt, terwijl het zeker is dat een deel van het onderwijs daardoor niet alleen goedkoper, maar vooral ook effectiever gegeven kan worden. Het is de vraag of bijvoorbeeld het eerstejaarscollege wiskunde dat in Nederland inderdaad aan 13 universiteiten wordt gegeven, ook 13 verschillende cursusinhouden moet hebben. Je kunt waarschijnlijk volstaan met één cursusinhoud die voor heel Nederland geldt. Het is dan heel goed denkbaar dat daarvoor de Open Universiteit het materiaal levert.”

Als docenten zich kunnen concentreren op het onderwijs, en niet een deel van hun werktijd daarnaast aan onderzoek moeten besteden, kunnen ook meer uitdagende vormen van onderwijs een kans krijgen, verwacht Okkerse, zoals het stimulerende maar arbeidsintensieve projectonderwijs. Zo'n aanpak, weet hij zeker, kan de waardering van het onderwijs op een hoger plan brengen. “Waarom hebben we eigenlijk alleen een Koninklijke Akademie van Wetenschappen waaraan menig onderzoeker prestige ontleent? Een Koninklijke Akademie voor Onderwijs kan voor docenten hetzelfde betekenen. Van zo'n academie kan op het onderwijs een enorme stimulans uitgaan.”

    • Quirien van Koolwijk