Over W.F. Hermans moet alles openbaar worden

Op 25 juli 1991 deed de Raad van State uitspraak in een geschil tussen de Amsterdamse literatuurhistoricus Rob Delvigne en het College van Bestuur der Rijksuniversiteit Groningen over toegang tot dossiers betreffende Willem Frederik Hermans. Die toegang was aan Delvigne geweigerd maar de weigering werd door de Raad ongedaan gemaakt.

Delvigne maakte naam door artikelen over uiteenlopende figuren als Jacob Israël de Haan en W. F. Hermans en publiceerde over hen in periodieken als het Hollands Maandblad en Oog in 't Zeil, waarover deze krant op 10 juli 1990 schreef: “Op het moment is Oog in 't Zeil het leukste literair-historische tijdschrift van Nederland.”

Al jaren koestert Delvigne de ambitie te schrijven over Hermans' carrière als fysisch geograaf. Van belang voor zijn studie acht hij inzage in stukken over deze geleerde die zich bevinden in het archief van de Groninger universiteit. Deze handelen over in 1965 ondernomen pogingen Hermans aan research-faciliteiten te helpen en over de in 1971 tot uitbarsting gekomen zogeheten kwestie-Hermans, waarvan schrijver dezes op 20 oktober 1989 op deze pagina poogde de kwintessens weer te geven. Op 16 oktober 1987 wees het College van Bestuur van de Groningse universiteit Delvignes verzoek af. Op 19 januari 1988 volhardde het in zijn weigering, in weerwil van een voor Delvigne gunstige opinie van de Commissie van Advies voor de Beroep- en Bezwaarschriften van de universiteit. Als reden voor haar weigering voerde deze instelling de bescherming aan van de persoonlijke levenssfeer van (voormalige) personeelsleden. Ten overstaan van de Raad van State werd hieraan toegevoegd dat de door aanvrage bedoelde stukken zijn geschreven door en ten dele gewisseld tussen individuele, voormalige personeelsleden der universiteit. “Deze stukken”, zijn aldus de universiteit, “door betrokken personeelsleden opgesteld en in afschrift aan het archief gezonden in het vertrouwen, dat derden daarvan geen kennis zouden nemen.”

Deze argumentatie is goeddeels onjuist. Men kan zich niet aan de indruk onttrekken dat het college in deze kwestie door de eigen ambtenaren niet geheel en al adequaat is voorgelicht. Ten eerste betreft het grotendeels originele stukken. Bij de afschriften daarentegen gaat het bijvoorbeeld om kopieën van de openbare notulen van de voormalige subfaculteitsraad geografie. Ten tweede kan men de president-curator mr. N. J. Polak, de latere Raadsheer in de Hoge Raad der Nederlanden van wiens hand zich memoranda, etcetera onder de archivalia in kwestie bevinden, bezwaarlijk als een personeelslid beschouwen. Integendeel, Polak was juist in zijn hoedanigheid van president-curator de hoogste superieur van het personeel der universiteit. Ten derde zijn drie betrokkenen al overleden. Over hun nabestaanden merkte de Raad van State op: “Voorts ligt het, gelet op het persoonsgebonden karakter van het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, niet in de rede artikel 4, onder h, van de Wet openbaarheid van bestuur... zo ruim te interpreteren dat ook nabestaanden van personen die in de in geding zijnde documenten worden genoemd onder de bescherming van dit artikel zouden vallen”.

Na Delvigne en zijn tegenpartij te hebben gehoord, vernietigde de Raad van State het besluit van de universiteit, aangezien een toereikende en deugdelijke motivering ontbrak, en bepaalde dat het College van Bestuur binnen vier maanden een nieuwe beslissing diende te nemen, met inachtneming van de uitspraak van de Raad van State. Het gevolg van deze uitspraak is dat een serieus en goed bekend staand onderzoeker als Delvigne na vier jaar een beter gemotiveerd nul op zijn rekest kan ontvangen. Een andere en waarschijnlijker mogelijkheid lijkt dat het college tot schifting der dossiers overgaat. Sommige stukken komen wel vrij, andere niet, onder toevoeging van de gronden der afwijzing.

Er bestaat nog een mogelijkheid; dat is de koninklijke weg, ofwel volledige openbaarheid. Dat Hermans in januari 1972 een weinig vleiende brief over persoon en karakter van zijn opponent prof. dr R. Tamsma schreef, zal geen enkele lezer van Onder professoren verbazen die zich herinnert hoe deze eminente geleerde (auteur van vele schoolboeken) daarin als de alcoholische hoerenloper prof. drs. Knellis Tamstra wordt gekenschetst. Bovendien zal Delvigne dit epistel zeker kennen: hij heeft toegang tot het archief van Hermans, geen man om geen kopieën van zijn briefwisseling te vervaardigen.

Voor welke andere papieren is men dan wellicht beducht? Voor de brief van een hoogleraar geologie uit 1972 waarin deze bepleit dat Hermans alleen bij de subfaculteit geologie kan komen werken, indien hij schriftelijk verklaart op straffe van overplaatsing geen roman te zullen schrijven over het Geologisch Instituut? Een voorstel dat door het universiteitsbestuur natuurlijk onmiddellijk van de hand werd gewezen. De voor een memorandum uit hetzelfde jaar van de toenmalige secretaris der universiteit, de vermaarde mr. H. Addens waaruit blijkt dat deze Hermans aanbood diens benoeming tot hoogleraar Literatuurwetenschap te bevorderen en hem een soortgelijke positie te verschaffen als H.A. Gomperts te Leiden bezat? Een aanbod dat Hermans om hem moverende redenen afsloeg en dat demonstreert dat het college van openstelling der stukken niets te vrezen heeft.

De koninklijke weg tenslotte kan verhinderen dat rondom de auteur van De raadselachtige Multatuli een Nederlandse affaire van Lebak in duodecimo ontstaat en verschaft Delvigne de mogelijkheid na te gaan of de auteur - schrijver dezes - van een in 1989 verschenen in opdracht van het College geschreven boek over de contemporaine geschiedenis van de Rijksuniversiteit niet dwaalde in zijn relaas over de affaire-Hermans, dat nu oncontroleerbaar is.