Noord-Holland krijgt zijn laatste commissaris

De Randstad, een waarachtige metropool waarvoor niemand verantwoordelijk schijnt te zijn en waarvoor dus ook nergens de financiële afwegingen worden gemaakt. Het hoofdartikel in NRC Handelsblad van 26 oktober illustreert treffend de gevolgen van het bestuurlijk vacuüm waarmee de Randstad kampt.

Naast de noodzaak van een samenhangend en daadkrachtig beleid op de schaal van dit landsdeel zijn er twee andere redenen om voortvarend aan een competent bestuur voor de Randstad te werken. Omdat de grootstedelijke gebieden zelf hun bestuurlijke boontjes gaan doppen, onder het motto van staatssecretaris De Graaff-Nauta "Bestuur op niveau', moeten de provincies daar terugtreden; te veel bestuursinstanties op een kluitje leidt tot ellende - een van de oorzaken van de teloorgang van Rijnmond.

En om volwaardig onze partij in het "Europa van de regio's' mee te blazen, is de schaal van de Duitse Länder en de Franse regio's maatgevend; onze huidige provincies zijn in dat opzicht (te) klein.

Aan het vrijblijvend praten over een bestuursvorm voor de Randstad kwam begin dit jaar een einde. Toen trad de "gemeenschappelijke regeling Regio Randstad Holland en Utrecht' in werking: een begin van samenwerking en afstemming. Bij de behandeling van deze regeling spraken de Staten van Noord-Holland zich uit voor een fusie van de Randstadprovincies op termijn. Deze motie bracht aanvankelijk een schrikreactie teweeg.

Nu erkent de commissaris der Koningin in Zuid-Holland, mr. Schelto Patijn, dat deze motie als katalysator in het denken over het eenwordingsproces heeft gefungeerd. Zijn collega in Noord-Holland, drs. R.J. de Wit (destijds ook wat afhoudend over de motie) vindt groei naar eenwording binnen een aantal jaren wenselijk en mogelijk.

De Utrechtse commissaris der Koningin, jhr. drs. P.A.C. Beelaerts van Blokland, stelt aan de fusie een belangrijke voorwaarde. De rijksoverheid moet een aantal taken en middelen overdragen aan de Randstadprovincie om de grootschalige problemen van ruimtelijke inrichting, verkeer en vervoer, economische ontwikkeling en milieu doeltreffend aan te pakken. Louter en alleen een optelsom maken van drie huidige provincies heeft geen zin.

Op de onlangs gehouden Randstadconferentie heeft het presidium van de Randstadsamenwerking bij monde van Patijn mijn voorstel overgenomen om nu op korte termijn een plan te maken waarin het groeischema "van samenwerking naar eenwording' in tijd, activiteiten en voorwaarden in kaart wordt gebracht.

De Kamers van Koophandel van de vier grote steden hebben eerder deze maand een brochure gepubliceerd waarin zij vragen om slagvaardige besluitvorming op Randstadniveau. Vorige week verscheen een onderzoek van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten dat uitmondt in de aanbeveling: stop de onderlinge concurrentie, ga samenwerken, vorm een Randstadprovincie.

Het gaat snel. Volgens sommigen te snel. Zij willen "nader onderzoek naar de noodzaak'. Voor anderen - die niet zo vertrouwd zijn met de taaiheid van bestuurlijke organisatie in ons land - gaat het nog te sloom. Toch hebben we te maken met een vrij uniek proces waarbij bestuursinstanties hun eigen bestaan ter discussie stellen, zonder dat er enige vingerwijzing of nota van bovenaf aan te pas is gekomen.

Noord-Holland krijgt binnenkort een nieuwe commissaris der Koningin. Dat zou wel eens de laatste kunnen zijn. Wie dat een jaar geleden zou hebben gezegd, zou of als geheide provinciehater en of als ontoerekeningsvatbaar zijn getypeerd. Nu durf ik de weddenschap wel aan.

    • F. de Zeeuw