Nieuwe bossen tegen CO2

Er gaat bijna geen dag voorbij of we horen over de rampen die ons te wachten staan als het broeikaseffect doorzet. Een stijging van de zeespiegel die grote gebieden doet onderlopen, het verder afsmelten van het landijs en veranderende neerslagpatronen moeten ons deel worden.

De meeste berekeningen zijn gebaseerd op uitgebreide studies naar de gevoeligheid van het klimaat voor veranderingen in het CO2 (kooldioxide)-gehalte van de atmosfeer. Vaak wordt uitgegaan van een verdubbeling van dat gehalte halverwege de volgende eeuw.

Veel minder aandacht is er echter voor de vraag hoe hoog dat CO2-gehalte nu uiteindelijk werkelijk zal worden. De komende jaren kan het antwoord op deze vraag zeker zo belangrijk worden. Niet alleen blijkt de natuur een enorme CO2-buffer te vormen, maar we kunnen haar daarbij nog een handje helpen ook.

Sherwood B. Idso van het US Water Conservation Laboratory in Phoenix Arizona heeft uitgebreid onderzoek gedaan naar de mate waarin bomen koolstof kunnen vastleggen. Hij doet daarvan verslag in de "Bulletin of the American Meteorological Society'.

CO2 is de primaire "voedingsstof' van planten en bomen. In het fotosyntheseproces wordt, onder invloed van zonlicht, CO2 omgezet in koolstof en zuurstof. De koolstof wordt daarbij in plant en boom in de vorm van allerlei (natuurlijke) verbindingen opgeslagen, voornamelijk in cellulose en lignine.

Hoe meer CO2 er in de lucht zit hoe gemakkelijker de fotosynthese verloopt. Het is denkbaar dat op een gegeven moment het CO2-gehalte zover gestegen is, dat in de natuur ieder jaar net zoveel extra koolstof wordt vastgelegd als de mens erin brengt. Als de bossen van deze aarde tweemaal zo snel zouden kunnen groeien kan de CO2-inhoud van de atmosfeer al stabiel worden. (Of bossen de koolstof ook blijvend vastleggen is een andere vraag.)

Uit onderzoek uit het begin van de tachtiger jaren was al bekend, dat niet-houtachtige planten, in termen van biomassa-toename, ongeveer 33% sneller groeien bij een verdubbeling van het CO2-gehalte van 300 naar 600 ppm (parts per million). Bij bomen kan dit onderzoek veel moeilijker uitgevoerd worden. Zo moeten de experimenten van lange duur zijn terwijl het zeer moeilijk is in een kas het complexe groeimilieu van de werkelijke wereld te imiteren. Idso zegt daarin toch geslaagd te zijn en vergeleek de groei van identieke set sinaasappelboompjes. Na twee jaar bleken de bomen (inclusief de wortels), die gegroeid waren in een atmosfeer met het dubbele CO2-gehalte 2,8 zoveel keer koolstof te bevatten als de bomen die in een normale atmosfeer opgroeiden. De bomen in de rijke CO2-omgeving namen overdag tweemaal zoveel CO2 op als de andere bomen terwijl in de normale atmosfeer 's nachts door de bomen driemaal zoveel CO2 verloren werd.

Veel nieuwe experimenten zouden deze resultaten kunnen bevestigen, maar de jaarlijkse CO2-cyclus doet dat eigenlijk nu al.

Winterslaap

Ieder voorjaar als de planten op het Noordelijk Halfrond uit hun winterslaap komen, worden grote hoeveelheden CO2 uit de atmosfeer opgenomen. In het najaar, bij het afsterven van de planten, komt die CO2 weer in de atmosfeer terug. (De landmassa's op het Zuidelijk Halfrond zijn veel kleiner dan die op het Noordelijk Halfrond zodat de effecten daardoor veel geringer zijn.) De pieken en dalen van het CO2-gehalte worden steeds scherper en dat wordt toegeschreven aan het "mest'-effect dat het stijgende CO2-gehalte op planten en bomen heeft.

De amplitudo van de CO2-cyclus is echter viermaal zo groot als op grond van de respons van niet-houtachtige planten op de CO2-toename verwacht mag worden. Aangezien de landvegetatie voor ca. 90% van de CO2-cyclus verantwoordelijk is, kan gesteld worden dat de bomen, die 75% van de koolstofuitwisseling op land uitmaken, verantwoordelijk zijn voor ca. 2-3 van de globale fotosysnthese.

Bij een verdubbeling van het CO2-gehalte kan de produktiviteit van de bossen dan bijna driemaal zo groot worden. Met deze gegevens in de hand is het nog maar de vraag of het CO2-gehalte zo snel zal toenemen als nu gedacht wordt en of het broeikaseffect ons voor zoveel problemen zal stellen als gevreesd wordt. Duidelijk is wel dat de bossen een zo belangrijke rol spelen dat we er alles aan moeten doen om die te bewaren en weer uit te breiden. In dit verband is het initiatief van de SEP, de gezamenlijke electriciteitsproducenten in Nederland opmerkelijk.

Maasvlakte

De SEP wil het CO2-probleem benaderen door bebossing. De eerste ideeën kwamen 2 jaar geleden van ir. N. Ketting, directeur van de SEP. De gemoederen raakten toen zeer verhit over de bouw van een nieuwe kolencentrale (600 MeW) op de Maasvlakte. Volgens Ketting moest het mogelijk zijn de totale CO2-uitstoot van de centrale op te vangen door bebossing.

In een mengeling van zakelijke en verantwoordelijkheidsgevoelens werd in februari jl. de stichting FACE (Forests Absorbing Carbondioxyde Emission) opgezet. Directeur J. van den Bos van FACE maakt duidelijk dat bebossing ook een van de goedkoopste oplossingen voor het CO2-probleem is: slechts ca. 0.03 cent per KwH.

De eerste adviezen van Bos- en Landschapsbouw (een onderdeel van het Ministerie van Landbouw) wezen in de richting van het aansluiten bij herbebossingsplannen in bijv. Zuid-Amerika. De milieugroepering hadden daar, terecht, kritiek op. Zo worden in Zuid-Amerika vrijwel alleen snel-groeiende bossen voor de houtteelt aangelegd, waardoor weinig extra CO2 voor langere tijd wordt vastgehouden. Verder is deze korte teelt met korte omlopen alleen mogelijk met grote giften kunstmest. De milieuvervuiling (incl. CO2) die gepaard gaat met de kunstmestproduktie weegt niet op tegen de voordelen.

De taakstelling van de stichting, die met een jaarlijks kapitaal van 20-25 miljoen gulden kan werken, is er nu in eerste instantie op gericht om de CO2-uitstoot van de Maascentrale te compenseren. Daartoe moet ca. 150.000 ha bos worden aangelegd, waarvan een klein deel in Nederland.

Van den Bos laat er zich niet over uit of men uiteindelijk de hele Nederlandse CO2-uitstoot door nieuw bos wil compenseren. Overigens zijn de activiteiten van FACE nu nog slechts een druppel op een gloeiende plaat. Jaarlijks wordt ca. 17.000.000 ha bos vernietigd en het is absoluut noodzakelijk dat, zoals op de milieuconferentie in Noordwijkerhout werd uitgesproken, nieuwe aanplant en kap met elkaar in evenwicht zijn in het jaar 2000. FACE wil de CO2 op lange termijn binden door de aanleg van langlevende bomen (bijv. eiken en beuken) waarna produkten gemaakt kunnen worden, die garanderen dat hout hout blijft. Dergelijke bossen vertegenwoordigen een hoge natuurlijke waarde, leveren een variëteit aan produkten op en geven in de toekomst bestaansmogelijkheden voor een groot aantal kleine bedrijven.

In eerste instantie wil FACE bos aanplanten in gebieden waar in recente tijd ontbossing plaatsgevonden heeft, zoals in Tsjechoslowakije en op Borneo. Daarbij wordt alleen de investering gefinancierd. Aanplant, aanleg van wegen en training van mensen komen voor rekening van FACE waarna het project zichzelf moet kunnen bedruipen. In Nederland is door de hoge grondkosten alleen medefinanciering haalbaar. Waarschijnlijk wordt aan het einde van dit jaar in Friesland, bij de gemeente Leeuwarden, begonnen met de aanleg van 120 ha bos. Begin 1992 wordt begonnen met aanplant in Tsjechoslowakije; besprekingen daarover zijn in een vergevorderd stadium. Daar moet een natuurlijk fijnsparrenbos (terug)komen.

In oktober 1992 vindt een workshop in het Reuzengebergte plaats. Een groot aantal onderzoekers o.a. uit Rusland komt daar bij elkaar en zal aan de regeringen aanbevelingen doen. Men zal tijdens de workshop zeker te horen krijgen hoe onvoorstelbaar slecht de toestand in Rusland is. In Siberië zijn al zeer grote wouden gekapt en ook de bossen ten westen van de Oeral lopen nu groot gevaar. Mogelijk kunnen de activiteiten van FACE ertoe bijdragen dat ook in Rusland een halt toegeroepen wordt aan de ongebreidelde kap en dat er herbebossingsprojecten op gang kunnen worden gezet.

Misschien dat, met behulp van de mens, Lovelock met zijn Gaia-theorie dan toch gelijk krijgt en het broeikaseffect voor een belangrijk deel voorkomen kan worden.

    • Harry Otten