KUBISTISCHE FILM VAN BLIER OVER LIEFDE EN DOOD; Neem me mee naar Hollywood

Merci la vie. Regie: Bertrand Blier. Met: Charlotte Gainsbourg, Anouk Grinberg, Gérard Depardieu, Michel Blanc. Amsterdam, Calypso en Cinecenter.

Het zou een locatie in een film van Marco Ferreri kunnen zijn: een badplaats buiten het seizoen, leeg en grijs op een paar betonnen bouwsels na. Daar wordt een meisje in bruidsjurk uit een auto gegooid en door de chauffeur in elkaar geslagen. Dan nadert een ander meisje, dat een supermarktkarretje voortduwt, waarin vier meeuwen plaats hebben genomen. Het is het begin van een vriendschap tussen Joëlle (Anouk Grinberg), de bruid, en Camille (Charlotte Gainsbourg), het meisje dat met de meeuwen in een van de bunkers woont, en zich voorbereidt op haar eindexamen.

Het zou een verhaal over vrouwelijke kameraadschap kunnen zijn, een soort moderne variant op de amoraliteit van Depardieu en Dewaere in Bliers eerste beroemde film, Les valseuses (1973). Maar Blier wil eigenlijk geen verhaal vertellen in Merci la vie; hij voegt zich nadrukkelijker dan ooit in het gezelschap van filmers die het medium te belangrijk vinden om het aan de verhalenvertellers over te laten, om Peter Greenaway te citeren. Merci la vie jongleert met beelden en filmclichés in het tempo dat de met videoclips opgegroeide generatie gemakkelijk accepteert. Hoofdrolspeelster Grinberg noemt het een kubistische film, en dat is een heel aardige definitie. Zorgvuldig gedoseerd bereidt Blier zijn publiek voor op een steeds verder reikende sabotage van zijn verwachtingen. Eerst lijken het domme continuïteitsfouten, wanneer de beide meisjes in een jurk een locatie betreden en er in een korte broek en t-shirt uitstappen. Maar op het terras van hun bunker gezeten zegt Joëlle dat ze dat wel mooi zullen vinden, twee meisjes tegen de achtergrond van een zonsondergang. Over wie heb je het, vraagt Camille. Nou, over die voyeurs daar, antwoordt Joëlle. Steeds brutaler trekt Blier ons in de loop van Merci la vie uit de handeling, regisseurs en cameraploegen lopen plotseling door het beeld en bediscussiëren wat in beeld komt of zou kunnen komen.

Beroemde acteurs maken hun opwachting en geven typeringen van hun eigen filmimago: Annie Girardot is een slons op haar retour, Jean Carmet beklaagt zich dat hij altijd bijrollen te spelen krijgt en Charlotte Gainsbourg biedt zich aan voor een filmrol met de woorden: “Ik kan alles spelen tussen de twaalf en de achttien jaar, mooi of lelijk, zeg het maar.”

Sinds Godard zijn zulke vervreemdingsfoefjes in de cinema niets nieuws. Het is maar een van de vele middelen waar Blier zich van bedient: hij wisselt ook zwart-wit (in verschillende tinten ingekleurd) en gewone kleurenfotografie af, om de stemming van een scène aan te geven. Hij laat zijn "road movie' van het ene filmgenre naar het andere verspringen. Plotseling zitten we midden in de Tweede Wereldoorlog, waar dappere verzetshelden het op moeten nemen tegen de verraderlijke charme van SS-officier Jean-Louis Trintignant. Camille smeekt haar vader haar te verwekken en roept hem op iets moois van zijn leven te maken. Als in een droom is er geen logisch verband meer tussen oorzaak en gevolg, plotseling staan er twintig politieagenten en een lijkschouwer om het bed van Camille's toekomstige ouders en even later roept de regisseur om een pauze, omdat de actrice die haar moeder speelt er geen zin meer in heeft.

Het wonderlijke van dit alles is dat er toch een rode draad door dit gegoochel heen loopt, ja dat Merci la vie zelfs over grote emotionele zeggingskracht beschikt.

Joëlle noemt zichzelf herhaaldelijk "une fille perdue'. Dat kan zowel een verdwaald als een ten dode opgeschreven meisje zijn, maar de eerste associatie in het Frans is toch met een gevallen vrouw, een prostituée. Een genadeloze arts (Gérard Depardieu) met behoefte aan clientèle heeft haar aangezet alle mannen uit zijn stadje te besmetten met gonorroe. Camille heeft haar vriendin voorbestemd als cadeautje voor haar vader, opdat hij eindelijk eens echte liefde zal meemaken. Maar langzaam wordt duidelijk dat haar ziekte van een heel andere aard is. In de meest omstreden scène legt Blier verband tussen aids en de slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog. We zien Joëlle niet sterven, maar ze wordt door Duitse soldaten van haar bed gelicht en in een veewagon vol naakte mensen gegooid, kort nadat een acteur heeft uitgeroepen dat in de oorlog op het niet gebruiken van condooms tenminste geen doodstraf stond. In de wagon ontmoet ze een filmproducent, die ze tot drie keer toe vraagt haar mee te nemen naar Hollywood. Ook zonder de voor de hand liggende associatie met de ambities van Anne Frank is het een brute metafoor. Maar Blier is nooit een cineast geweest voor overgevoelige naturen. Zoals Calmos de woede wekte van feministen, Tenue de soirée beledigend werd geacht voor homoseksuelen en Trop belle pour toi zich discriminerend gedroeg ten aanzien van lelijke mensen, zo haalt hij nu uit naar de heiligverklaring van oorlogsleed. De holocaust is misschien wel de enige passende vergelijking voor de aids-tragedie. En Blier, met zijn teder-romantische benadering van wrede "histoires de cul', is er nog het woedendst over, omdat een hele generatie nu verteld wordt dat liefde en dood niet los van elkaar gezien mogen worden.

Er valt veel te genieten bij het kijken en luisteren naar Merci la vie, een weerbarstige film die zichzelf niet in een keer prijs geeft. Er zijn de melancholieke songs van Arno Hintjes, de Belgische Tom Waits, afgewisseld door Philip Glass en Dean Martin. Er is de bewonderenswaardige, bijna surrealistische fotografie van Philippe Rousselot. Er zijn de onvertaalbare woordgrapjes, en het cinefiele spel met de genre-clichés. Er zijn bovenal twee prachtige vrouwelijke hoofdrollen, van de hartveroverende, tamelijk onbekende Grinberg en van de nu al grootse Charlotte Gainsbourg, die met haar hele lichaam zowel distantie als emotie uitdrukt, een verrukkelijke actrice die waarschijnlijk nog meer talent heeft dan haar moeder, Jane Birkin.

Merci la vie is een film die provoceert tot theoretiseren. Semiotici kunnen er hun "narratieve trajecten' op los laten, de ongebruikelijke verhaalvorm zal menige wetenschapper of literator tot diepgravende beschouwingen kunnen inspireren. Het is een moderne film, zoals de moderne romans van Joyce en Proust de negentiende-eeuwse verteltraditie op de kop zetten. Ik vraag me af of de film aan de hand van zulke inzichten beter begrepen zal worden. Het is wel duidelijk dat de zapp-generatie er betrekkelijk weinig moeite mee zal hebben.

    • Hans Beerekamp