Julia

John Lennon had nog zelden zo'n persoonlijk nummer geschreven, laat staan gezongen. Maar nu, in het najaar van 1968, had hij alle gêne van zich afgeworpen. Eerder dat jaar was hij met een kater teruggekeerd van zijn bezoek aan de Maharishi Mahesh Yogi in India, die minder onzelfzuchtig bleek te zijn dan hij had gehoopt. Samen met zijn nieuwe vriendin Yoko Ono bracht hij de dagen door in een roes, beurtelings opgewekt door alcohol, heroïne en rust.

Zij moedigde hem aan gevoelens aan te boren, die hij jarenlang onder onverschilligheid, grappen en agressiviteit had weggestopt. Zo kwamen de beelden, vrijuit associërend terug en in de Abbey Road-studio van EMI zong hij, alleen met zijn gitaar en zijn stem: Half of what I say is meaningless, but I say it just to reach you, Julia...

Julia was zijn moeder. Een vrolijke wildebras, volgens alle Lennon-biografieën, die op haar 27ste nog veel te ongedurig was voor het moederschap. Ze was, min of meer ”voor de grap', getrouwd met haar zeevarende jeugdvriend Alfred Lennon, aan wie ze op een lacherige middag had gesuggereerd om te gaan samenwonen. Hij deed er een schepje bovenop door haar ten huwelijk te vragen: “We namen het geen van tweeën erg serieus, het was gewoon dolle pret”. De wederzijdse familie werd niet eens uitgenodigd. Bijna twee jaar later, in oktober 1940, werd hun zoon John Winston geboren. Zijn tweede naam verwees naar Churchill, de oorlogsheld.

Freddy Lennon, de kersverse vader, was op zee en zou nog in geen jaren terugkeren. Julia wachtte 's avonds tot de baby sliep en ging dan de stad in, waar knappe jongemannen in spannende uniformen in volle cafés het glas hieven en een begerig oog lieten vallen op vrouwelijke aanwezigen. Ze wierp zich in de intense feestvreugde en raakte zwanger van een soldaat uit Wales, die haar vroeg bij hem te komen wonen - op voorwaarde dat ze afstand deed van haar eerste kind.

Ze weigerde. De soldaat werd overgeplaatst en haar tweede kind, geboren in juni 1945, bleek een dochtertje te zijn dat werd weggehaald door het Leger des Heils en later is geadopteerd door een Noors echtpaar. Zelfs de omstreden Lennon-biograaf Albert Goldman, die naar zijn zeggen door een groep onderzoekers 1.200 vraaggesprekken heeft laten houden, heeft het halfzusje niet kunnen opsporen.

De onfortuinlijke Julia werd intussen getroost door een vriend van haar soldaat, de charmante en gesoigneerde John Dykins. Toen vader Freddy na de bevrijding het huiselijk geluk wenste op te zoeken, vertelde zijn vrouw hem dat ze haar leven voortaan met Dykins wilde delen. Na een felle woordenwisseling kreeg hij zijn zoontje mee voor een vakantie in Blackpool. Na zes weken meldden Julia en haar nieuwe man zich bij hen aan. Ze wilde de kleine John zelf laten kiezen tussen zijn vader of zijn moeder.

Het kereltje mompelde dat hij bij zijn vader wilde blijven, ongetwijfeld in de veronderstelling dat het dan altijd vakantie in Blackpool zou blijven. Maar toen zijn moeder wegliep, rende hij achter haar aan. “Ik ben mijn vader toen al gauw vergeten”, zei hij jaren later. “Ik had als kind altijd het idee dat mijn vader dood was.”

Julia bleek haar moederlijke expeditie echter te hebben ondernomen op aandringen van haar zuster Mimi, een burgerlijke vrouw die veel waarde hechtte aan fatsoensnormen. Zodra moeder, stiefvader en zoon terug waren, werd John Lennon ondergebracht bij zijn tante. Af en toe kwam Julia op bezoek, een wufte, elegante dame vol onverwachte invallen, wier visites een welkome afwisseling vormden in het brave bestaan bij tante Mimi. Binnen enkele jaren beviel ze, dank zij John Dykins, van twee dochters. Ze was een ranke schoonheid, schreef één van die twee in John Lennon My Brother: “Ze had altijd felrood gelakte nagels, zowel aan haar tenen als aan haar handen. Ze nam regelmatig een gezichtsmasker van havervlokken, hield haar handen blank met citroensap en nam biergistpillen voor haar teint”.

Tante Mimi moedigde het contact tussen moeder en zoon niet aan. Toen hij nog te klein was om zulks te verifiëren, kreeg John te horen dat zijn moeder ver weg woonde. Hij voelde zich in die tijd verstoten door zijn vader èn zijn moeder, naar hij zelf verklaarde. Zijn tante was goed voor hem, maar kon geen vervanging zijn. Op school uitte hij zich vaak als een onhandelbaar knaapje, grof in de bek en meer dan gebruikelijk pesterig jegens meisjes.

Toen hij groot genoeg was en de weg naar de familie Dykins zelf kon vinden, kwam Lennon er geregeld over de vloer. Als zijn moeder in een jolige bui was, maakte ze in de hal een dansje met haar opgroeiende zoon bij Hound dog of Jailhouse rock van Elvis Presley - muziek die tante Mimi verafschuwde. Ook leerde hij van zijn moeder de eerste beginselen van de banjo, die ze met geestdrift bespeelde.

“Pas na veel moeite is het me gelukt John te leren dat hij op zijn gitaar geen banjo-akkoorden moest spelen”, wist Paul McCartney later te vertellen. Toen hij op zijn zestiende zijn eerste bandje oprichtte, kocht Julia het kleurig geblokte overhemd waarin hij debuteerde.

Een jaar later, in juli 1958, zat hij in het gezelschap van zijn stiefvader en zijn twee halfzusjes te wachten tot Julia thuiskwam. Ze was de deur uitgegaan om Mimi te bezoeken - volgens The lives of John Lennon na een vuistgevecht met John Dykins, maar volgens John Lennon My Brother in pais en vree.

Het was al donker toen er een politie-agent aanbelde. Het ging net als in de film, zei Lennon in een vraaggesprek: de politieman vroeg hem of hij de zoon was van Julia-geboren-Stanley en zei dat hij in dat geval een slecht bericht had. Julia was bij Mimi geweest, wilde de straat oversteken om bij de bushalte te komen en was halverwege aangereden. Op weg naar het ziekenhuis stierf ze aan haar verwondingen. “Dat was het ergste dat me ooit is overkomen. We hadden in een paar jaar zoveel ingehaald, Julia en ik... We could communicate. We got on. She was great. I thought: fuck it, fuck it, fuck it! Ik kon er alleen maar verschrikkelijk bitter over zijn, dat ze me voor de tweede keer in de steek had gelaten.”

John Lennon ging naar de kunstacademie, trouwde en raakte verzeild bij de Beatles. Over zijn moeder sprak hij niet meer. Tot hij in 1968 bewust afstand nam van de Beatle-hysterie en toeliet dat er nog oude wonden waren. Het was de allereerste keer dat hij alleen, zonder zijn drie compagnons, in de studio zat. Het hoefde maar drie keer te worden opgenomen, één keer gemixt en toen was het klaar: Julia, sleeping sand, silent cloud, touch me - so I sing a song of love, Julia...

Foto: John Lennon met zijn moeder, zomer 1949.