In Oost-Europa helpen milieu en levensstijl beter dan dokters

De sterfte op jonge en middelbare leeftijd (tot 65 jaar) lag in enkele Oosteuropese landen veel hoger dan in West-Europa en Noord-Amerika.

De verschillen tussen het westen en oosten zijn de afgelopen 30 jaar groter geworden. De sterfte door oorzaken die niet door medisch ingrijpen zijn te voorkomen is in Hongarije, Tsjechoslowakije en Polen sinds 1970 aan het stijgen, maar in het westen aan het dalen. Die sterfte was in de jaren 60 in de drie Oosteuropese landen met ongeveer 300 per 100.000 inwoners per jaar gelijk aan die in Engeland en de Bondsrepubliek Duitsland. In Canada en de VS stierven toen ongeveer 350 mensen per 100.000 per jaar. In 1987 was de sterfte in het westen beneden de 300 gedaald (Engeland 252; VS 297), maar in Oost-Europa boven de 350 gestegen (Polen 370; Tsjechoslowakije 352; Hongarije 416).

De sterfte aan geneesbare ziekten is in alle onderzochte landen tussen 1950 en 1990 gedaald, maar sinds 1975 is de daling in Oost-Europa op 75 tot 100 per 100.000 per jaar blijven steken. In het westen was de sterfte aan geneesbare ziekten altijd al lager, maar de daling gaat nog steeds door en is nu 22 (Canada) tot 35 (Engeland) per 100.000 mensen per jaar. (British Medical Journal, 12 okt)

De sterfteverschillen worden niet veroorzaakt door verschillen in leeftijdsopbouw of de verhouding tussen mannen en vrouwen van de onderzochte bevolkingen. De sterfte per leeftijdscategorie en per geslacht in alle landen is omgerekend naar een standaardbevolking waardoor de sterftecijfers onafhankelijk zijn van leeftijd en geslacht, wat de belangrijkste voorspellers zijn voor de dood.

De verschillen zijn vooral wrang omdat het de sterfte tot 65 jaar is.

De inwoners van Oost-Europa leven gemiddeld korter dan die in West-Europa en en Noord-Amerika. Dat zou nog niet zo erg zijn als in het westen iedereen ongeveer 80 en in het oosten iedereen 75 zou worden. Maar de hogere sterfte komt al tot uiting voor het 65-ste levensjaar. Overlijden in die levensfase wordt wel "onrechtvaardig' - de gezondheidszorg zou er in de eerste plaats op gericht moeten zijn mensen in goede gezondheid redelijk oud te laten worden.

De scheiding tussen doodsoorzaken die wel of niet door medici zijn te voorkomen is enigszins arbitrair, vooral omdat een periode van 40 jaar is bekeken waarin op medisch-technologisch gebied grote vorderingen zijn gemaakt. Op de lijst vermijdbaar doodsoorzaken prijken de dood door cholera, buiktyfus, tuberculose, difterie, tetanus, poliomyelitus, kinkhoest, roodvonk, mazelen, syfilis, baarmoederhalskanker, ziekte van Hodgkin, diabetes mellitus, kropgezwel en schildklierafwijkingen, voedings- en vitaminetekort, epilepsie, reumatische ontstekingen en chronische reumatische hartziekten, hoge bloeddrukziekten en hersenberoerten en -infarcten, longontsteking, bronchitis, emfyseem, astma, maagzweer, blindedarmontsteking, darmverstopping, hernia, galstenen, galsblaasafwijkingen, huid- en wondinfecties, oorontsteking, bot- beenmergontstekingen, kraambed- en geboortecomplicaties.

Om de Oosteuropeanen op westers sterfteniveau te krijgen moet de sterfte die door medici te vermijden is met 40 tot 75 per 100.000 dalen, terwijl de dood door ongeneeslijke ziekten met 50 tot 150 naar beneden moet.

De auteurs van het artikel in de British Medical Journal concluderen daarom dat er grotere winst mogelijk is op het gebied van doodsoorzaken die door levensstijl en milieu worden beïnvloed. Wanneer Oost-Europa de vrije keus had tussen een betere gezondheidszorg of minder milieuverontreiniging gecombineerd met een gezondere levensstijl (minder roken, drinken, vet eten) van de bewoners, dan mag de verbetering van de medische infrastructuur met een gerust hart lager op de agenda staan.