Gemeente Alphen was altijd "schappelijk' bij storten afval

ALPHEN AAN DEN RIJN, 31 OKT. In tegenstelling tot veel andere gemeenten in Zuid-Holland was Alphen aan den Rijn aan het eind van de jaren zeventig “schappelijk” als het ging om het storten van grote hoeveelheden afval. Dat zei oud-gedeputeerde J. Hoek van Dijke gisteren tijdens de negende hoorzitting van commissie-Engwirda, die onderzoek doet naar het doen en laten van gemeentebestuurders en ambtenaren ten tijde van de illegale stort van chemisch afval op de stortplaats in de Coupépolder.

Hoek van Dijke onderhandelde tussen 1978 en 1982 als gedeputeerde met de Zuidhollandse gemeenten over onder meer ontgravingsvergunningen en de stort van “problematisch afval”, in veel gevallen afval dat bedrijven niet meer konden kwijtraken. De oud-gedeputeerde herinnerde zich twee gevallen waarbij Alphen aan den Rijn zich bereidwillig opstelde. De provincie oefende echter nooit druk uit op de gemeente om de afvalproblemen op te lossen, aldus Hoek van Dijke. “Maar wat ambtenaren in het veld deden weet ik natuurlijk niet.”

In 1981 zat het Haagse bedrijf Pamatex opgescheept met een grote hoeveelheid shredder (afval van verwerkte autowrakken). Omdat het Pamatex-terrein zelf vol was deed Hoek van Dijke een beroep op Alphen aan den Rijn om het afval op te nemen. “Volgens onze deskundigen was er in het slechtste geval sprake van licht chemisch afval”, aldus Hoek van Dijke.

De tweede kwestie, begin 1982, was de stort van vervuilde bleekaarde in de Coupépolder, verwerkt afval van de firma Van der Kooy in Pijnacker, afkomstig van enkele Zuidhollandse margarinefabrieken. “Het was geen chemisch afval, maar het was ook geen fris spul.” Na een “noodkreet” van Van der Kooy hielp opnieuw Alphen aan den Rijn de provincie uit de brand, nadat Hoek van Dijke bij andere gemeenten, waaronder Zoetermeer, nul op het request had gekregen. “De medewerking van de gemeenten was over het algemeen naatje.”

Het feit dat onder andere Provinciale Waterstaat en de Inspectie voor de Volksgezondheid in verschillende rapporten kritiek hadden uitgeoefend op het toelatingsbeleid voor afval in de Coupépolder wekte irritatie op bij de provincie, zei Hoek van Dijke. Ondanks een negatief advies voor het storten van de bleekaarde vroeg Hoek van Dijke Alphen aan den Rijn het afval op te nemen. “Je kon het allemaal wel verbieden maar het moest ergens naartoe. Als we alle regels precies hadden nageleefd hadden we de stort van afvalstoffen als shredder of bleekaarde eigenlijk moeten verbieden. Dan liep je het risico dat het in de sloten van de Krimpenerwaard werd gedumpt.” Hij voegde eraan toe dat hij op dit moment op dezelfde wijze zou handelen in een dergelijk geval.

Hoek van Dijke was ook betrokken bij de verlening van een vergunning aan Alphen voor het ontgraven van de Coupépolder tot 1,8 meter beneden NAP, tachtig centimeter dieper dan tot dat moment was toegestaan. Hij ontkende met de Alphense milieu-wethouder D. van Leeuwen een akkoord te hebben gesloten, waarbij de provincie zich soepel zou opstellen bij ontgravingen dieper dan een meter, indien de gemeente zich bereid verklaarde bij te springen als de provincie met een afvalprobleem zat. Ook ontkende Hoek van Dijke dat hij de ontgraving tot 1,80 meter zou toestaan, zoals de onderzoekscommissie suggereerde, in afwachting van de provinciale vergunning hiervoor. Er moest in het begin van de jaren tachtig dieper worden gegraven omdat de vuilstortplaats veel sneller volliep dan was voorzien.

De commissie-Engwirda heeft inmiddels in een besloten zitting het hoofd van de Alphense afdeling reiniging en werktuigbouw, G. Scholten, en J.J. de Vries van het bureau reiniging gehoord. Hun verklaringen zullen worden opgenomen in het eindrapport van de commissie, dat in december wordt uitgebracht. Volgende week woensdag wordt op de laatste zitting burgemeester Paats van Alphen gehoord.

    • Rob Schoof