DE GORDEL VAN SMARAGD IN SMOG GEHULD; Houtkap maakt oerwoud kwetsbaar voor brand.

Half oktober ondervond het vliegverkeer in Singapore en Maleisië en het scheepvaartverkeer in drukbevaren de Straat van Malakka grote hinder van dichte smog. Internationaal werd er groot alarm geslagen.

De smog zou veroorzaakt worden door grote oerwoudbranden in Indonesië. Daardoor kwamen er veel as- en stofdeeltjes in de lucht die gingen fungeren als condensatiekernen voor waterdamp. In Indonesië zelf had men al sinds augustus last van smog. Tientallen binnenlandse vluchten werden afgelast vanwege slechte zicht, scheepvaartverkeer op de rivieren in Sumatra en Kalimantan ondervond veel hinder, het zicht was op veel plaatsen maar 30 tot 50 meter. Veel mensen hadden ademhalingsmoeilijkheden, hoofdpijn en geïrriteerde ogen.

De Indonesische regering werd laksheid verweten. De regering verweerde zich door te zeggen niet te weten of er sprake was van "echte bosbranden' of van "branden als gevolg van landontginning'. Deze laatste zijn in deze tijd van het jaar heel normaal. Luchtfoto's of satellietbeelden konden geen uitsluitsel geven, omdat zij ook niet door de smog heen kunnen kijken.

Ir. Paul Hillegers, die als tropisch bosbouwkundige verbonden is aan het Wageningse bosbouwinstituut De Dorschkamp waar hij hoofd is van de afdeling ontwikkelingssamenwerking, is als consultant voor de Wereldbank net anderhalve maand op Sumatra en Kalimantan (Indonesisch Borneo) geweest. Hij heeft zich veel per vliegtuig verplaatst en persoonlijk hinder ondervonden van de branden.

Hillegers: "Ik moest lang wachten op vliegtuigen, die vanwege de smog flinke vertragingen opliepen. Eén keer is mijn vlucht vanwege de smog gecancelled. Maar door de smog kon ik vanuit de lucht niks zien van branden op de grond. Het is moeilijk uit te maken of er sprake is van een calamiteit. Getallen zeggen zo weinig. Harahap, de minister van bosbouw, had het eerst over 50.000 hectare. Salim, de minister van milieu, noemde later een getal van 200.000 hectare. Dat zegt allemaal niets als je bedenkt dat er in Indonesië een miljoen ladangbouwers zijn. Als die nou allemaal per jaar een hectare bos platbranden, staat er dus sowieso ieder jaar een miljoen hectare in brand.'

Veel mensen vreesden - net als in 1987 - een herhaling van rampzalige oerwoudbranden van 1982-1983, toen in Oost-Kalimantan ruim drie miljoen hectare in vlammen opging. Kapondernemingen en zwerflandbouwers werden als aanstichters gezien. Dat gebeurde ook nu weer.

Vorige week meldde NRC Handelsblad-correspondent Dirk Vlasblom vanuit Balikpapan (Oost-Kalimantan) dat de moessonregens het vuur inmiddels gedoofd hadden. De ramp van '82-'83 zou zich niet herhaald hebben. Volgens Willie Smits, een medewerker van Hillegers die op Kalimantan gestationeerd is, waren de branden van de ladangbouwers zouden "niet overgeslagen op het uitgekapte bos. Het dode hout was nog steeds te nat om te branden.' Het zou nog niet lang genoeg droog geweest zijn voor een grote brand volgens Smits.

Indonesië had geluk gehad. Paul Hillegers: "Onduidelijk is of de branden ook elders op Kalimantan en op Sumatra gestopt zijn of alleen lokaal. Ik heb vandaag (24 oktober HD) telefonisch contact gehad met Smits en die vertelde me dat ook in Oost-Kalimantan de branden weer begonnen waren en dat de zon vanwege de smog weer niet te zien was. Pas over een tijdje zal duidelijk zijn wat er precies aan de hand is geweest en wat de oorzaken waren. Het is een complex geheel, een samenloop van een aantal specifieke omstandigheden.'

Onbrandbaar oerwoud

Oerwoudbranden zijn een tamelijk recent verschijnsel. In 1982-1983 werd Indonesië er voor het eerst op grote schaal mee geconfronteerd. Waarom kwamen er vroeger geen en tegenwoordig wel oerwoudbranden voor? Is het oerwoud gevoeliger geworden voor brand? Kan de schade hersteld worden?

Van nature zijn oerwouden zeer vochtig. Ze kunnen zich alleen handhaven in gebieden met zeer veel neerslag, vandaar de gangbare term "regenwouden'.

's Morgens bij het ochtendkrieken zijn ze in nevelen gehuld. Als de zon stijgt aan de horizon, trekken de nevelen in sluiers op en lossen op in de snel warmer wordende lucht. Met het stijgen van de temperatuur gaan ook planten meer transpireren. Elke plant verdampt immers water. Hoe meer planten hoe groter de verdamping. Geen ecosysteem op aarde bevat meer planten dan het tropisch regenwoud; de jaarlijkse aangroei bedraagt 32 ton per hectare tegenover 13 ton in de Europese loofbossen en 7 ton in de noordelijke naaldbossen. In regenwouden staat het loof van de bomen in verschillende etages. Op de grond is het vrijwel donker. Het dode hout wordt snel verteerd door schimmels en insekten.

Geen ecosysteem kent dan ook een grotere verdamping dan de regenwouden. Voor sommige gebieden heeft men uitgerekend dat de helft van de waterdamp in de lucht uit de bomen komt. Mede door het transpiratievocht van oerwoudplanten raakt de lucht spoedig verzadigd. Er vormen zich wolken, waaruit vaak diezelfde dag nog regen valt. Elke dag herhaalt zich dit proces. Door de permanente vochtigheid, en ook de afwezigheid van bodembegroeiing in een volgroeid regenwoud, zijn grote branden uitgesloten.

In Zuid-Oost-Azië komen regelmatig droogteperiodes voor, maar door hun vermogen om veel water vast te houden, kunnen de oerwouden die droogteperiodes gemakkelijk doorstaan. Af en toe duren die droogteperiodes langer. Volgens sommigen komt dat door het kappen van grote arealen oerwoud, volgens anderen door El Niño, de nukkige zeestroom voor de kust van Peru die het wereldklimaatsysteem periodiek ontregelt.

Dat de droogte door het kappen van veel oerwoud is toegenomen acht Hillegers voor Indonesië niet bewezen. "Voor het Amazonegebied is dat aannemelijker, in Indonesië waar de eilanden omgeven zijn door de zee en we met moessons te maken hebben ligt dat ingewikkelder.'

Eeuwenlang hebben inheemse volkeren als de Dayak op Borneo stukjes oerwoud platgebrand in een systeem van zwerflandbouw (in Indonesië ladangbouw genoemd). Aan het begin van de droge tijd kappen ze een stukje bos, laten het hout een tijdje drogen en steken het, vlak voor het begin van de regentijd, in brand. Vandaar dat hun landbouwsysteem ook wel slash and burn-cultuur wordt genoemd. Een paar jaar bewerken ze de grond, waarna ze hem minstens 15 jaar braak laten liggen. Hoewel de omringende groene, vochtige plantenmassa verhindert dat de branden zich uitbreiden, nemen de Dayak uitgebreide voorzorgsmaatregelen.

In 1982-1983, toen Zuid-Oost-Azië getroffen werd door een extreem lange droogteperiode van tien maanden, woedde er maandenlang een enorme oerwoudbrand op Oost-Kalimantan. Naar schatting ging 3,5 miljoen hectare vegetatie in vlammen op, een oppervlak bijna zo groot als Nederland. Duitse bosbouwexperts schatten de directe schade op 9 miljard dollar.

In Samarinda, de stad aan de oostkust waar veel houtindustrieën zitten, bleef de lucht wekenlang geelbruin. In veel nederzettingen was de zon wekenlang niet te zien. Net als dit jaar moesten op het vliegveld van Singapore vluchten worden afgelast vanwege slecht zicht. Van blussen was geen sprake. Tenslotte hebben de moessonregens de branden gedoofd. De Indonesische minister van Bosbouw gaf de ladangbouwers de schuld van de branden. Zij zouden hun brandjes uit de hand hebben laten lopen.

Nader onderzoek wees echter dat de commerciële houtkap mede schuldig was. Luchtfoto-onderzoek in 1983 en analyses van Landsat- en SPOT-satellietbeelden in 1989 door de Deutsche Forstinventur Service maakten duidelijk dat van de getroffen bossen 23% bestond uit primair bos, 21% uit secundair bos en gronden van ladangbouwers, 16% uit moerasbos en de overige 40% uit bos "leeg' gekapte bossen, zogenaamde logged-over forests. Onaangetast bos had de branden het beste doorstaan.

Hoe maakt de commerciële houtkap de oerwouden kwetsbaar voor brand? Door een combinatie van houtkap en ladangbouw veranderden bosgebiedenin uitgestrekte vlaktes met alang alang, een soort tropisch rietachtig gras dat in droge tijden erg vatbaar is voor brand. Branden kunnen zich gemakkelijk via deze grasvlaktes uitbreiden.

In Indonesië is inmiddels 33 miljoen hectare bedekt met deze grassoort, die door Hillegers een "pyroclimax-vegetatie' genoemd wordt omdat dit vegetatietype zich alleen kan handhaven als het regelmatig in brand staat. Alang alang kan met zijn ondergrondse wortlestokken goed tegen brand, concurrerende planten niet.

Het kaalkappen van bossen (clear cutting) is in Indonesië alleen bij uitzondering toegestaan. Ondernemingen mogen alleen bomen kappen die dikker zijn dan 50 centimeter (selective cutting). Jonge bomen worden zo gespaard en kunnen uitgroeien.

Maar ook selectief kappen beschadigt het oerwoud ernstig. Als houtkappers met hun kettingzagen of bulldozers commercieel waardevolle woudreuzen vellen, beschadigen die in hun val veel omringende bomen. Indonesische biologen hebben berekend dat 40% van de overblijvende bomen beschadigd wordt. Die sterven (gedeeltelijk) af zodat er na selectief kappen veel dood hout achterblijft. Bovendien nemen de kapondernemingen alleen de stammen mee en laten ze takken en wortels liggen.

Om de gekapte stammen uit het bos te halen, worden er paden, wegen en opslagplaatsen aangelegd. De aanleg daarvan leidt ook tot beschadigingen en veel dood hout. Dertig procent van een selectief leeggekapt bos wordt erdoor ingenomen. Op die plaatsen en kaalgekapte plekken groeien pioniervegetaties van grassen en kruiden, die zeer brandbaar zijn. De wegen kunnen zo fungeren als highways for wild fires, zoals de vakuitdrukking inmiddels heet.

Door het neerhalen van de woudreuzen wordt ook het gesloten bladerdak geopend, waardoor de zon en de wind veel meer invloed krijgen. Het bos droogt uit en de capaciteit van het oerwoud om water vast te houden vermindert. Ook komt er ongewild veel dood hout in rivieren terecht waar het zich ophoopt. Rivieren kunnen kunnen daardoor hun rol als natuurlijke brandgang niet meer vervullen.

Immigranten

Behalve dat de kapondernemingen de wouden beschadigen, maken ze deze ook toegankelijk voor hordes immigranten. Tussen 1970 en 1980 verdubbelde de bevolking van Oost-Kalimantan. In het kader van het officiële transmigratieprogramma vestigden zich er 60.000 gezinnen, maar daarnaast trokken duizenden spontane migranten het gebied binnenop zoek naar landbouwgrond.

Oost-Kalimantan veranderde daarmee in een wildwest frontier-gebied, waar controle op grondgebruik onmogelijk was. De migranten gingen wonen waar kapondernemingen actief geweest waren, want daar waren wegen en leeggekapte bossen. Om aan landbouwgrond te komen, ontgonnen ze - zoals ook elders in de Derde Wereld - illegaal stukken bos. Permanente landbouw bleek door de slechte bodems veelal onmogelijk, ladangbouw was de enige mogelijkheid. Verlaten landbouwgronden vielen ten prooi aan alang alang. Het aantal zwerflandbouwers groeide flink.

In tegenstelling tot de traditionele ladangbouwers als de Dayak hadden de nieuwe ladangers weinig ervaring. De Dayak kennen strenge regels over wanneer en hoe ze mogen branden. Op overtreding van deze regels staan strenge straffen. Om te voorkomen dat het vuur zich verspreidt, ontdoen de Dayak de bodem bijvoorbeeld van afvalhout, takken en struiken. Rondom stukken grond die ze plat gaan branden creëren ze brandgangen. Hun rotatiecyclus duurt langer, zodat de vegetatie hoger kan opschieten en minder brandgevoelig is. Hun brandcultuur leidt zelden tot oerwoudbranden.

De nieuwe zwerflandbouwers kennen daarentegen geen regels, zij zijn meer uit op korte-termijn winstbejag. Hun branden slaan veel vaker over op het oerwoud, zeker als door de houtkap is aangetast en brandgevoelig geworden is.

De Deutsche Forstinventur Service die in 1989 voor het Duitse ministerie van Ontwikkelingssamenwerking en de International Tropical Timber Organisation een onderzoek uitvoerde naar mogelijkheden om de brandschade in het gebied te herstellen, vat het zo samen: de bevolkingsgroei door immigratie leidt tot een toename van de zwerflandbouw in voorheen onaangetaste gebieden. De droogte en de houtkap prepareren gebieden voor brand, de zwerflandbouwers zorgden voor de feitelijke verbranding.

Wat valt daartegen te doen? Het is een illusie dat de zwerflandbouw gestopt kan worden, droogtes zullen periodiek terugkeren, de kans op branden groeit. Bossen die getroffen zijn door branden zijn gevoeliger voor droogte en nieuwe branden. Als branden zich herhalen verandert het brandvrije ecosysteem van tropisch regenwoud in een van brand afhankelijk alang-alang-ecosysteem dat bijna niet meer weg te krijgen is.

Volgens Hillegers bestaat er "een uitermate grote noodzaak van brandpreventie en rehabilitatie'. Het probleem is dat er bij de branden veel nutriënten verloren gegaan zijn, vooral als een gebied vaak in brand gestaan heeft zoals oude alang alangvlaktes. Daar kun je moeilijk bos terugkrijgen.

Een ander probleem is dat de mycorrhizaschimmels en de micro-organismen die voor de vertering moeten zorgen, door de branden verdwenen zijn. Er zijn grote investeringen nodig om goed bos terug te krijgen. Hillegers: "In een project experimenteren we met het stekken van dipterocaps en het enten van de bijbehorende mycorrhiza-schimmels. Dat luistert allemaal erg nauw, want je moet het juiste microklimaat weten de creëren. De bodemtemperatuur mag bijvoorbeeld niet hoger dan 30 graden worden. De Duitsers zijn bezig met een rehabilitatieproject van eerst 1000 hectare, dat in een tweede fase 30.000 tot 50.000 hectare moet omvatten. Op Kalimantan zijn we ook bezig met het FACE (Forest Absorption Carbondioxide Emission)project van de Samenwerkende Electriciteitsproducenten (SEP).' De SEP wil zo de Nederlandse bijdrage aan het broeikaseffect door de uitstoot van CO2 compenseren met aanplant van CO2-absorberende bossen in de tropen.

"De kapbedrijven gaan hun natuurlijke hulpbron ook beter beheren. Niet omdat ze ineens zo braaf geworden zijn, maar vanwege hun enorme investeringen in de houtverwerkende industrie. Ze moeten nu al hout importeren uit Sabah en Sarawak en uit West-Irian. De ladangbouw is een moeilijk oplosbaar sociaal-economisch probleem. De combinatie van houtkap en ladangbouw maakt de kans dat het in de nabije toekomst mis loopt heel groot, vooral bij droogte over grote oppervlakten.'

    • Henk Donkers