Consumentenonderwijsgids

Universiteiten en hogescholen keuzegids. De eerste studiegids die opleidingen met elkaar vergelijkt. Nummer 1. Uitgeverij Waterland van Wezel, Postbus 1751, 1001 NG Amsterdam. Telefoon: (020) 6205171. Introductieprijs: ƒ 7,50.

Waarom kiest iemand die aan een universiteit economie wil gaan studeren voor Maastricht, Tilburg of Groningen. Is het omdat deze opleidingen beter zijn dan die bijvoorbeeld in Rotterdam of Amsterdam? Of is het omdat zijn kansen om af te studeren er groter zijn dan aan andere universiteiten? Of zijn Groningen en Maastricht aantrekkelijk als stad?

Voor het grootste deel van de studenten aan de universiteiten en hogescholen blijkt de nabijheid het belangrijkste motief bij de keuze te zijn, zo is enkele jaren geleden al vastgesteld. Kunnen studeren aan een universiteit of hogeschool in je eigen regio blijkt vaak zelfs nog belangrijker dan de studie waarvoor je kiest. Een groeiend aantal studenten kiest echter voor een studie elders: omdat ouders er hebben gestudeerd, omdat hun vriendjes er ook gaan studeren. En inderdaad, ook omdat ze hebben gehoord dat je in Groningen, Maastricht en Tilburg beter economie kunt studeren dan in Amsterdam of Rotterdam. Het is een keuzegedrag waarin de Nederlandse student nauwelijks afwijkt van zijn collega's elders in Europa.

In Nederland zou dat moeten veranderen, vindt minister Ritzen (onderwijs). Studenten moeten de kwaliteit van de opleidingen meer bij hun keuze betrekken. Maar daarvoor is het wel nodig dat bekend is wat de kwaliteitsverschillen tussen de studierichtingen aan de universiteiten en hogescholen zijn - als die er al zijn.

Als vader èn minister had Ritzen zijn kinderen niet kunnen zeggen waar ze moesten zijn voor de beste informatica-opleiding. En dus werd zoals vaak de oplossing van dit ouderlijk probleem verheven tot ministerieel beleid.

Afgelopen vrijdag kon hij derhalve het eerste exemplaar in ontvangst nemen de "Universiteiten en hogescholen keuzegids'. Dankzij een startsubsidie (ƒ 240.000) van de minister van onderwijs kunnen er drie nummers per jaar van verschijnen. Elke aflevering neemt andere studierichtingen onder de loep, zo is de bedoeling. Als de gids dan nog zou bestaan komen over twee jaar weer rechten, economie, biologie, wijsbegeerte, elektrotechniek en dans aan de beurt. De keuze voor deze studierichtingen in het eerste nummer werd vooral bepaald door de aanwezigheid van recente onderzoeksrapporten die door visitatiecommissies zijn opgesteld.

""Vraag vier willekeurige afgestudeerden hoe ze de stad uitkozen waar ze gingen studeren, en je hoort een wirwar aan motieven. Maar die hebben één ding gemeen: met de kwaliteit van de opleiding hebben ze zelden iets te maken'', zo begint het voorwoord in de gids. Maar daarin valt ook te lezen dat ""volgens alle genterviewde studenten de kwaliteit van de opleiding een belangrijke rol heeft gespeeld bij hun keuze.'' Dat zijn dan de 1.300 studenten rechten en economie die ten behoeve van de gids zijn onvervraagd over hun (on)tevredenheid met hun opleiding.

De redactie poogt de lezer inzicht te geven in de afzonderlijke opleidingen in de diverse studierichtingen. De aanpak in de acht artikelen (vijf zijn gewijd aan de universitaire opleidingen, bij economie, elektrotechniek wordt ook de opleidingen aan de hogescholen besproken en natuurlijk dans, een hogere beroepsopleiding) loopt sterk uiteen. Aan het materiaal van de visitatiecommissies voegt de redactie nauwelijks iets toe. De uitkomsten uit het tevredenheidsonderzoek worden niet of nauwelijks gebruikt bij de beschrijving van de opleidingen en in de conclusies. In een enkel geval, elektrotechniek aan de hogescholen, heeft de auteur bijna twee pagina's nodig om te melden dat hij geen kans heeft gezien voldoende feitenmateriaal op te duikelen om de opleidingen te kunenn vergelijken.

Het is zeer de vraag of de aankomende student veel wijzer wordt van de "keuzegids'. Daarvoor is de ordening van het materiaal te chaotisch. Heldere omschrijvingen ontbreken, heldere criteria al evenzeer.

Bij rechten, om een tweede voorbeeld te noemen, wordt de gemiddelde studieduur en het "rendement' bij de boordeling betrokken en wordt mede daarom Maastricht aanbevolen. Bij de universitaire economie ontbreken daarvan zelfs de cijfers, hoewel ze beschikbaar zijn. Mede daardoor kan ongestraft Rotterdam worden aanbevolen terwijl daar de rendementscijfers er toch het laagste zijn (na zes jaar heeft maar zo'n kwart van de eerstejaars het doctoraaldiploma op zak) en de visitatie- en verkenningscommissie voor economie onlangs over het onderwijs en onderzoek aan deze opleiding weinig lovend oordeelden.

Wat ontbreekt in de gids is een helder beeld van de verschillende opleidingen en van de kwaliteit van de onderdelen. Dat maakt de bruikbaarheid van de gids beperkt. Met een goed inzicht in wat de aankomende student wil weten en met een kundige redactie kan dat worden opgelost. In de tussentijd kan de minister nog eens denken over het probleem waarvoor hij bij de presentatie van de gids nog geen oplossing wist: dat van de plaatsingscommissies en studentenstops. Want wat wint een universitaire student rechten of economie (twee studierichtingen waarvoor een plaatsingscommissie bestaat) bij een op "kwalititeit' gebaseerde studiekeuze als vervolgens de commissie hem bij een andere opleiding plaatst?

Voorlopig kan de beginnende student zijn geld beter steken in een van de consumentengidsen die inmiddels al aan een groot aantal universiteiten en hogescholen zijn verschenen. Daarin vindt de beginner vaak wel voor hem relevante informatie zodat hij zich met meer succes door de eerste jaren van zijn studie heen kan worstelen. Maar bovenal leveren veel van die gidsen goed materiaal om die docenten aan te pakken die onvoldoende waar voor het collegegeld leveren. Dàt leidt in elk geval tot beter onderwijs.

    • Quirien van Koolwijk