Bosbranden niet altijd slecht en onnatuurlijk

Veel mensen denken dat bossen van nature niet behoren te branden en dat bosbranden koste wat kost voorkomen moeten worden. Maar niet alle bosbranden zijn slecht en onnatuurlijk.

Lang voordat de mens de aarde bewoonde en als veroorzaker van bosbranden een rol begon te spelen, waren er natuurlijke bosbranden. Fossiele houtskoolresten in steenkool- en bruinkoollagen bewijzen dat. Blikseminslagen en vulkaanuitbarstingen waren de belangrijkste oorzaken. Ook tegenwoordig nog ontstaan er door blikseminslag zo'n 50.000 bosbranden per jaar.

Het gebruik van vuur door de mens als instrument om land te ontginnen, onkruid te bestrijden, gewasresten te verwijderen, goed weiland te creëren en wild op te jagen is al heel oud. Stammen in Afrika maakten er 60.000 jaar geleden al gebruik van, de Aboriginals in Australië 40.000 jaar geleden.

Brand is zo'n belangrijke natuurlijke factor dat bosecologen een onderscheid maken tussen vuurvrije en vuur-afhankelijke ecosystemen. Onder de eerste groep vallen alleen de wouden in Zuid-Oost-Alaska, de kust van Noord-West-Europa en de natste delen van de tropen. Alle andere ecosystemen met bomen zijn ingesteld op vuur en konden zich dankzij regelmatige branden ontwikkelen.

Enkele voorbeelden. De bossen in het westen van Canada en de Verenigde Staten met de commercieel waardevolle Douglas-sparren (die daar meters dik kunnen worden) hebben hun bestaan te danken aan regelmatige bosbranden. Die waren er allang voordat er mensen woonden. Na een brand schiet de Douglas-spar (samen met het eenjarige fireweed, het wilgenroosje) als eerste op; door de brand zijn de sparappels open gaan staan en konden de zaadjes eruit springen. Als de sparren flink hoogte gekregen hebben, dringen soorten als de Canadese den, de Sitkaspar en de rode ceder als ondergroei zijn gebied binnen. Die zouden de Douglas-spar langzaam verdringen; na zo'n 500 jaar zou hij verdwenen zijn als de ondergroei van concurrenten niet regelmatig zou verbranden. De Douglasspar zelf is door zo'n grote hoogte inmiddels onkwetsbaar geworden voor vuur. Onderzoek aan oude Douglas-sparren wees uit dat er gemiddeld elke negen jaar een brand geweest is tussen 1735 en 1900.

Ook de beroemde sequioawouden van de Sierra Nevada in Californië (Yosemite National Park) waren er zonder regelmatige branden waarschijnlijk niet meer geweest. Het vuur prepareert een ideaal zaaibed voor de sequioazaadjes. Periodieke branden houden de bossen open. Paradoxaal genoeg zijn de sequioawouden in deze eeuw juist door de brandpreventie en -bestrijding kwetsbaar geworden voor brand. Vroeger stonden de gigantische sequioa's, die wel honderd meter hoog en 5000 jaar oud kunnen worden, als enorme pilaren in het parkachtige landschap. Nu is de ondergroei van witte sparren zo hoog opgeschoten dat het vuur vanaf de grond via de witte sparren de takken van de sequioa's, die op 10 tot 30 meter hoogte beginnen, kunnen bereiken.

Ook de uitgestrekte naaldwouden in de taiga van Noord-Amerika en Eurazië (met de zwarte spar waarvan de kegels uitsluitend ontkiemen na een brand, zo eens in de vijf tot acht jaar), de vroegere uitgestrekte eikebossen in de gematigde luchtstreken evenals de eucaliptusbossen in Australië danken hun bestaan aan bosbranden. Sommige ecosystemen zijn zo afhankelijk geworden van periodieke branden, dat men kan spreken van een pyroclimax, de kenmerkende planten en dieren zouden verdwijnen zonder brand.

Amerikaanse bos- en parkbeheerders erkennen tegenwoordig de belangrijke rol van branden in de ontwikkeling van bossen. Ze zijn van brandpreventie en -bestrijding overgegaan op fire management. Daarom liet men het vuur een paar jaar geleden in het Yellowstone National Park zijn gang gaan.

Bij dit alles moet men wel bedenken dat het hier gaat om vuur-afhankelijke ecosystemen die voor hun dynamiek van vuur afhankelijk zijn. Tropische regenwouden horen daar niet bij. Zij zijn niet op vuur ingesteld. Wel kunnen ze vervangen worden door vuur-afhankelijke systemen als alang alang of tropische savanne. Dat zou een enorme teruggang in diversiteit betekenen.