Studie van octrooien bespaart bedrijven miljarden

Het internationale bedrijfsleven verspeelt jaarlijks vele miljarden door opnieuw het wiel uit te vinden. Een grondige studie van octrooien had veel geld kunnen besparen.

De octrooiwetgeving gaat de komende jaren veranderen. Naast het huidige Europese Patent (geldig in veertien lidstaten) komt er straks een apart Gemeenschapsoctrooi (alleen voor EG-landen), dat een betere juridische bescherming biedt tegen inbreuk. Ook de nieuwe Nederlandse rijksoctrooiwet, die nu ter beoordeling bij de Raad van State ligt, biedt meer mogelijkheden. Er kan een kortlopend patent worden verstrekt zonder dat hoeft te worden aangetoond dat de uitvinding ook werkelijk nieuw is.

Een octrooi is een wettig eigendomsrecht dat de octrooihouder het exclusieve recht geeft om zijn uitvinding gedurende zekere tijd en binnen een bepaald gebied te exploiteren. Het octrooisysteem werkt in ieders voordeel, omdat het borg staat voor een rechtvaardige beloning voor de uitvinder, en een winstgevend rendement op investeringen. Vooropgesteld dat de uitvinding "meer is dan wat een technicus met op zijn vakgebied normaal denkwerk kan bereiken' en bovendien tot een praktisch resultaat kan leiden - "zuivere' ontdekkingen zijn uitgesloten van octrooiverlening - beschermt een patent of octrooi (die termen worden door elkaar gebruikt) tegen namaak en misbruik. Wie een uitvinding van een ander wil exploiteren, zal een overeenkomst (licentie) met de octrooihouder moeten afsluiten. Een kwestie van kennis verkopen en inkopen.

“Er kan veel méér worden gepatenteerd dan wordt aangenomen”, zegt George Hamlyn van het Brits Octrooibureau. “Van camera's of chemicaliën tot chocolade-repen en trekringetjes voor blikjes. Elke keer als er een blikje met zo'n ring wordt verkocht, krijgt de uitvinder eentiende van een penny. Vermenigvuldig dat maar eens met een miljoen per dag!”

Niet elke uitvinding kan echter worden geoctrooieerd. Softwareprogramma's worden doorgaans auteursrechtelijk beschermd. Voor de bescherming van de topografieën van halfgeleiderprodukten geldt in Nederland de chipswet. Voor nieuwe plantenrassen is het zogenaamde kwekersrecht in het leven geroepen. Ook voor het uiterlijk van een voorwerp en voor benamingen gelden aparte beschermingsregelingen.

Wel kan iedere burger die meent een geniale vondst te hebben gedaan zelf een octrooi-aanvraag indienen, maar in de regel gebeurt dat via een octrooigemachtigde, iemand die staat ingeschreven bij de Orde van Octrooigemachtigden en die vaak een doctoraal-examen aan de Technische Universiteit of aan een bêta faculteit van een universiteit heeft afgelegd.

De octrooigemachtigde adviseert op alle punten van het octrooibeleid en kan ook inschatten of er een redelijke kans bestaat dat voor een uitvinding octrooi kan worden verkregen. Nu is het nog zo dat aan elke verlening een zogeheten nieuwheidsonderzoek voorafgaat. Soms moet de indiener van de octrooi-aanvraag zijn standpunten op zittingen van de octrooiraad komen verdedigen. En dan nog kan de verlening worden aangevochten.

Zo'n octrooischrift kan een belangrijke bron van informatie zijn voor het bedrijfsleven. Volgens recente schattingen verspelen ondernemingen mondiaal jaarlijks 65 miljard gulden aan het uitvinden van zaken die al lang bestaan. Grote ondernemingen als Hitachi hebben honderden mensen in dienst die dagelijks de literatuur over octrooien doorlezen, maar kleinere bedrijven laten zich meestal afschrikken door de omvang van de beschikbare gegevens. De informatie over octrooien beslaat wereldwijd ruim dertig miljoen publicaties en het aantal publicaties neemt jaarlijks met een miljoen toe.

G. Oostrom, ondervoorzitter van de Nederlandse Octrooiraad, schat dat ook Nederlandse bedrijven een groot deel van hun budget verkwisten aan onderzoek dat al eens werd verricht. Op die manier zou jaarlijks vier miljard gulden over de balk worden gegooid. “Het komt voor dat een bedrijf twee ton steekt in de ontwikkeling van een produkt waarop dertig jaar geleden al eens octrooi is verleend”, zegt Patricia J. Grollé van het Centrum voor Kennisbescherming en Octrooi-Informatie (CKO). “Daarom is het verstandig om een nieuwheidsonderzoek aan te vragen zodra men iets op papier heeft staan”.

Pag 18:

Kracht Nederland: méér kennis per kilo produkt

Octrooischriften kunnen worden geraadpleegd om uit te vinden wat de concurrentie aan het ondernemen is. Tijdens de recente Luchtvaartshow van Farnborough werd een man betrapt die in een van de vliegtuigen was geklommen om een nieuw soort vlieghelm te kunnen bestuderen. “Verspilde moeite”, lacht George Hamlyn van het Brits Octrooibureau. “Hij had bij het Europees Octrooibureau alle informatie kunnen krijgen.”

Het komt voor dat bedrijven besluiten om een uitvinding niet te octrooieren. Coca Cola houdt al vele jaren de samenstelling van zijn frisdranken geheim, maar dat zijn uitzonderingen. Van penicilline is het produktieproces op verzoek van de uitvinder Howard W. Florey nooit gepatenteerd; hij wilde voorkomen dat het produkt zou worden gemonopoliseerd. Miljoenen dollars zouden daardoor aan zijn neus voorbij zijn gegaan. Dit komt anno 1991 niet meer voor. De farmaceutische industrie spendeert miljarden aan octrooien op geneesmiddelen waarvan de marktomvang vaak nog niet eens vaststaat.

Bij het aanvragen van octrooien lopen Aziatische landen voorop. Het aantal Japanse octrooien is sinds 1979 met vijftig procent gestegen, in Korea bedraagt de toename zelfs 600 procent. Kijkt men naar de hoeveelheid geoctrooieerde toepassingen per miljoen inwoners, dan staan Japan, Duitsland en de Verenigde Staten aan de top. Australië eindigt op de vierde plaats. Nederland scoort dank zij de onderzoeksinspanningen van enkele grote multinationals niet slecht; toch zijn er veel kleinere landen in Europa (waaronder Zwitserland) die per miljoen inwoners meer octrooien aanvragen.

De meeste bedrijven dienen hun aanvraag in verschillende landen tegelijk in. Daarbij is het goedkoper om een Europees octrooi te nemen of een beroep te doen op het zogeheten PCT-systeem (Patent Cooperation Treaty), waarbij in maximaal 49 landen tegelijk een octrooi-aanvraag kan worden aangevraagd. Een Europees octrooi geeft de houder ervan dezelfde rechten in de door hem aangewezen lidstaten als een nationaal octrooi. Van het Europese Patent, dat in maxmaal veertien landen geldig is, wordt dan ook steeds vaker gebruik gemaakt, zeker omdat men goedkoper uit is. Aanvankelijk werd verwacht dat het aantal Europese octrooiaanvragen zou toenemen tot 30.000 per jaar. Maar vorig jaar al werden 60.000 aanvragen ingediend. In 1995 zal dit wellicht tot 100.000 zijn opgelopen.

Het Europese Patent is geen Gemeenschapsoctrooi. De bescherming die het Europees octrooi aan de octrooihouder biedt wordt namelijk bepaald door de wetgeving in de diverse landen. Wil de octrooihouder beletten dat het geoctrooieerde ergens wordt toegepast, dan kan dit alleen met tussenkomst van de nationale rechter. Bij het Gemeenschapsoctrooi is dat niet het geval. Om uniforme toepassing van de wet te waarborgen, wordt de rechterlijke bevoegdheid bij het Gemeenschapsgerechtshof (COPAC) ondergebracht.

Met deze veranderingen lijkt de rol van de nationale octrooiraden nagenoeg uitgespeeld. Dat hebben ze zelf ook zo gewild, want het zijn de nationale octrooibureaus geweest die gezamenlijk het Europees Octrooibureau hebben opgericht. Omdat 95 procent van alle aanvragen wordt ingediend bij het Europees Octrooibureau, het Japanse Octrooibureau en het Amerikaanse Octrooibureau, zullen de nationale octrooiraden zich beperken tot het verstrekken van informatie en het verlenen van een gering aantal diensten.

Sommigen zijn bang dat hierdoor de mogelijkheid om een nationaal octrooi aan te vragen zal komen te vervallen. “Ik hoop niet dat het zover komt, want niemand gaat duizenden ponden voor een Europees patent neertellen als hij zijn produkt alleen maar in eigen land wil verkopen; het Europese Octrooibureau zou juist moeten concurreren met sterke nationale octrooiraden”, vertelde Jacqueline Needle van het Britse octrooibureau W.H. Beck, Greener & Co op een onlangs gehouden symposium over geestelijk eigendom in Plymouth. “Kleine ondernemingen zijn niet altijd in staat om hun produkten in het buitenland op de markt te brengen”, vult CKO-directrice Patricia Grollé aan. “Dan heeft het ook weinig zin om zo'n uitvinding in een groter gebied af te schermen”.In Nederland zullen toekomstige aanvragen nog hoofdzakelijk worden beoordeeld op formele correctheid. Nu nog wordt iedere aanvraag door de octrooiraad getoetst aan de beschikbare literatuur. Maar bij de nieuwe regeling kan een kortlopend octrooi van ongeveer zes jaar worden verleend zonder dat een verleningsonderzoek wordt verricht.

Alleen als er inbreuk wordt gepleegd, zal de octrooihouder bij de bevoegde rechter moeten kunnen aantonen dat zijn uitvinding ook werkelijk nieuw is. Bij de aanvraag van een octrooi met een geldigheidsduur van twintig jaar zal nog wel een nieuwheidsonderzoek worden verricht. De nieuwe regeling is grotendeels gemodelleerd naar het gebruiksmodellenrecht zoals dat reeds van kracht is in landen als Duitsland, Italië, Spanje, Portugal en, in ietwat afwijkende vorm, ook België en Frankrijk.

Maar niet iedereen is enthousiast over dit nieuwe recht. Patricia J. Grollé: “Je kunt voortaan heel snel een octrooi krijgen, maar zonder nieuwheidsonderzoek weet je nog niet waar je aan toe bent. Het is alsof je je rijbewijs krijgt zonder een examen te hebben afgelegd. “Als ik advocaat was zou ik als mij als een speer gaan verdiepen in het industrieel eigendomsrecht, ik vrees dat het aantal inbreukbeschuldigingen spectaculair zal stijgen”, zegt drs. Egbert Ottevanger van het Specialistisch Innovatiecentrum voor Uitvindingen ID-NL in Rotterdam, 's lands grootste makelaar in produktideeën. “Een ieder die een paar vage ideeën op papier zet, zou nog morgen een octrooi kunnen krijgen”.

Bij de Nederlandse Octrooiraad verwacht men echter geen grote toeloop van gelegenheidsuitvinders. “Het kleine octrooi zal in hoofdzaak worden aangevraagd ten behoeve van vindingen die sterk aan mode onderhevig zijn en een kortstondig bestaan hebben”, zegt W. Neervoort van de Nederlandse Octrooiraad. Het aantal verzoeken voor een nationaal octrooi is bovendien niet erg hoog: nog geen zestien procent.

Voor een aantal uitvinders blijft het aanvragen van een nationaal patent niettemin aantrekkelijk. De procedurekosten voor indiening bedragen 280 gulden voor een Nederlandse octrooi en 650 voor een Europees (per land komt daar nog eens 320 gulden bij). Het internationale nieuwheidsonderzoek verricht door het Europees Octrooibureau is bijna twee keer zo duur als het Nederlandse. Laat men de aanvraag verzorgen door een octrooigemachtigde, dan komen de kosten op 6500 gulden voor een Nederlands octrooi en 10.000 gulden voor een Europees.

Of dat zo blijft is nog de vraag. De Nederlandse Octrooiraad zal het nieuwheidsonderzoek straks zo goed als zeker moeten uitbesteden aan het Europees Octrooibureau, waardoor de procedurekosten in de toekomst hoger zouden kunnen uitvallen. Ottevanger (ID-NL): “De toekomst wordt voor kleine uitvinders en het midden- en kleinbedrijf sowieso erg onzeker. Neem alleen al dat Gemeenschapsoctrooi. Moet een uitvinder uit Stadskanaal die voor zijn uitvinding een Nederlands octrooi heeft zich straks in Luxemburg of Straatsburg tegen inbreukbeschuldiging verweren?”

De Nederlandse Octrooiraad, ID-NL en het Centrum voor Kennisbescherming en Octrooi-Informatie zijn het in ieder geval over eens dat de voorlichting over beschermingsvormen de komende jaren zal moeten worden geïntensiveerd. Kleine en middelgrote Nederlandse ondernemingen moeten het immers hebben van produkten met een hoge toegevoegde waarde. De kracht zit hem volgens het CKO in "meer kennis per kilogram produkt' en die kennis zal goed juridisch goed beschermd moeten worden. Ook de academische wereld zou nog niet voldoende op de hoogte zijn van de mogelijkheden van octrooien. Al in 1988 heeft de toenmalige minister van economische zaken R. de Korte erop aangedrongen om op alle technische universiteiten in Nederland het octrooirecht te doceren, zodat jonge wetenschappers in ieder geval leren hoe zij hun vindingrijkheid kunnen beschermen.

    • Jan Libbenga