SER-kroonlid hekelt machtspositie bij toezicht op uitvoering van WAO; Wolfson legt sociale partners over knie

DEN HAAG, 30 OKT. Werkgevers en werknemers mogen binnen de Sociale Verzekeringsraad (SVR) niet langer de dienst uitmaken. De WAO-affaire heeft aangetoond dat de sociale partners hun verantwoordelijkheid hebben ontvlucht in bezweringsformules. Dit schrijft prof. dr. D.J. Wolfson, kroonlid van de Sociaal-economische raad (SER), in het jubileumboek dat de 40-jarige SVR volgend jaar publiceert.

De SVR, waar werkgevers en werknemers net als in de SER elk eenderde van de zetels bezetten, ziet toe op de uitvoering van de sociale zekerheid door de bedrijfsverenigingen. Binnen deze organen hebben de sociale partners het eveneens voor het zeggen. De toezichthouder en de uitvoerder behoren dus tot hetzelfde "circuit'.

Wolfson is op dit moment voorzitter van een PvdA-projectgroep die de contouren van de sociale zekerheid in de toekomst moet schetsen. Van hem mogen “enkele” van de leden van de SVR voortkomen uit de kring van de sociale partners, “mits zij daarin niet meer actief zijn”. De meerderheid van de SVR-leden moet echter onafhankelijk zijn. Op die manier kan de SVR “de tegenmacht worden die het kattekwaad uit het bedrijfsleven de baas kan”.

Wolfson haalt in zijn artikel fel uit naar de sociale partners. Zij zouden redeneren: “Premies, dat is ons eigen geld; wil niemand zich alsjeblieft met de uitvoering van de sociale zekerheid bemoeien, ook niet als wij er een puinzooi van maken”. Wolfson noemt deze redenering “bizar”, onder meer omdat sociale verzekeringen verplicht zijn.

Werknemers en werkgevers speelden elkaar volgens Wolfson in de jaren tachtig de bal toe in het misbruik maken van de Ziektewet en de WAO. Van dit “asociale wanbeleid” zijn de èchte arbeidsongeschikten nu de dupe. Toen minister Den Uyl en staatssecretaris Dales in 1982 het ziekteverzuim wilden aanpakken, werden ze “door de vakbeweging in de rug gelopen” en vervolgens “door Van Agt in de steek gelaten, onder toeziend oog van de werkgevers”.

De sociale partners bewijzen volgens Wolfson “weliswaar lippendienst aan het primaat van de politiek (...) maar eisen tegelijkertijd de meerderheid in de SVR, om (...) ongestoord die lijn te kunnen doorkruisen”. Totdat een CAO algemeen verbindend moet worden verklaard, dan wordt overheidsingrijpen ineens wèl nodig geacht, aldus Wolfson.

Terugblikkend in de recente geschiedenis stelt Wolfson dat de confessionele partijen in 1950-"51 onder leiding van de anti-revolutionair Stapelkamp “een machtsgreep (pleegde) voor de gevestigde orde van de bedrijfsverenigingen”. Het overheidstoezicht op de sociale zekerheid werd tot een wassen neus gereduceerd, of zoals de socioloog Van Doorn later kritisch beschreef: “Baas in eigen huis, en het huis op kosten van gemeenschap”. Minister Veldkamp trachtte in 1967 het evenwicht te herstellen, maar die discussie wordt volgens Wolfson door “de voorstanders van de status quo al 24 jaar gerekt”. Het SER-kroonlid beschrijft de op dit punt relevante SER-adviezen van mei- juni 1990 als “minder smakelijk” en “achteruitstrevend”.

Wolfson waarschuwt de vakbeweging dat zij “met open ogen in de val van de eigen bedrijfs(verenigings)blindheid” loopt. Ze zou de sociale zekerheid “op orde” moeten brengen, voordat het systeem zichzelf helemaal heeft afgeschaft en wordt vervangen door het “mini-stelsel” dat de VVD samen met de werkgevers bepleiten.

Van de politieke partijen moet vooral het CDA het bij Wolfson ontgelden, en CDA-woordvoerder Biesheuvel in het bijzonder. Van hem mag alleen de Rekenkamer op de sociale zekerheid toezien, en wel achteraf. Het confessionele beginsel van “soevereiniteit in eigen kring” is in de ogen van Wolfson onhoudbaar, omdat de overheid in de grondwet de sociale rechten van de burger garandeert.

Wolfson pleit niet alleen voor controle op het werk van keuringsartsen (“In de ziekenhuizen is intercollegiale toetsing inmiddels de gewoonste zaak van de wereld”), maar wil tevens “meer concurrentie aanmoedigen tussen verzekeraars”. Als in de nieuwe Ziektewet de eerste zes weken van het verzuim voor risico en rekening van de werkgevers komen, dan moeten zij dat risico niet alleen bij de bedrijfsverenigingen kunnen bijverzekeren, maar ook bij particuliere verzekeraars.

In september nam de Tweede Kamer met grote meerderheid (alleen het CDA was tegen) een motie-Buurmeijer (PvdA) aan die pleitte voor een onafhankelijk toezicht op de sociale verzekeringen. Op 16 oktober vroeg staatssecretaris Ter Veld (sociale zaken) de SVR om advies. Werkgevers en werknemers willen de samenstelling van de SVR onveranderd laten, maar stellen wel voor het toezicht over te laten aan een aparte SVR-kamer waarin ze de helft van de zetels bezetten. Op 7 november stelt de SVR zijn advies hierover aan Ter Veld officieel vast. Of de SVR-concessie de staatssecretaris ver genoeg gaat, is nog niet zeker.