Russen domineren "straathandel' in stadion Warschau; Drie flessen wodka, en je hebt al een maandloon

WARSCHAU, 30 OKT. Het centrum van de straathandel in Warschau is niet langer het Cultuurpaleis in het centrum. De duizenden Polen en Russen die hier tot vorig jaar hun waren aanboden, zijn verdreven: er worden nu voor het Cultuurpaleis aartslelijke metalen overkappingen aangebracht. In de toekomst kan daar weer een permanente markt worden ingericht, al wordt het allemaal minder spontaan dan vroeger, want de gemeente wil aan die straathandel ook verdienen, en dus zal er voor de huur van de kraampjes moeten worden betaald, en komen er officiële regelaars en opzichters en bewakers en toezichthouders.

Het centrum van de straathandel is in afwachting van de voltooiing van Warschaus eigen "Hallen' verplaatst naar het stadion Dziesieciolecia, achter de Poniatowskibrug, aan de overkant van de Vistula. De handel wordt voornamelijk afgewikkeld op de grote geasfalteerde loopweg achter de hoogste tribune, hoog boven het parkeerterrein. Dat terrein staat vol met duizenden auto's, de meeste uit Polen, maar ook veel uit Tsjechoslowakije, Roemenië en vooral de Sovjet-Unie. Sommige dragen al de kentekens van de diverse republieken: er zijn vandaag Litouwers, Letten, Witrussen en Oekraëners.

Op de markt van Dziesieciolecia vind je alles. De kramen bestaan uit grote parasols of tentluifels, waaronder de verkopers hun spulletjes hebben uitgestald, doorgaans op stretchers, of anders op een deken of een lap plastic op de grond. Je vindt er keukengerei en textiel, T-shirts uit Turkije en spijkergoed, kinderspeelgoed en koffie, leren jassen en laarzen, Zwitserse chocola en Iraanse pistaches, maar ook alarmpistolen en stiletto's, en zelfs televisietoestellen en peperdure elektronica, die vanuit de laadbakken van vrachtwagens wordt verkocht, en bontjassen, die vandaag elk onder hun eigen paraplu hangen, want het sneeuwt flink vandaag. De verkoper heeft zichzelf ook met bont volgehangen. Hij staat, als iedereen, danig te kleumen. Bij sommigen is het aanbod zo schamel dat zij het in twee handen voor zich uit houden: twee paar laarzen in een plastic zak. Om de twintig meter kun je bij een caravan soep eten, of een hamburger, of kielbasa, gegrilde Poolse worst. In het Pools en Russisch staat aangegeven waar de toiletten zijn. Er zijn ook wisselkantoren, waar zloty in roebels of dollars kunnen worden omgezet.

Er zijn elke dag opnieuw duizenden Russen in het stadion: dit is in Oost-Europa de plek bij uitstek waar zij met een beetje gescharrel hun magere inkomen kunnen aanvullen. Op het parkeerterrein staan zeker tachtig bussen met Sovjet-kentekens. Sommige komen direct uit Kiev, Minsk of Moskou, andere houden een pendeldienst tussen Warschau en de grens in stand. De reislust van de Russen is zo groot - dit jaar zijn er al 7,5 miljoen de grens overgekomen, van wie er inmiddels naar schatting 200.000 in Polen zijn ondergedoken en er zwart werk verrichten, volgend jaar verwacht men tien miljoen bezoekers uit de Sovjet-Unie - dat men aan de grensposten drie tot vijf dagen moet wachten. De grens bij Brest is vorige week zelfs gesloten wegens de slechte sanitaire situatie, bij de grens bij Grodno dreigt de toestand geheel uit de hand te lopen. Daarom gaan veel Sovjet-handelaars per bus naar de grens, steken die te voet over en gaan aan de Poolse kant aan boord van een van deze bussen, die hen naar Warschau en dit stadion brengt. Je ziet op de markt sardines uit de Sovjet-Unie, Georgische thee, Sovjet-camera's en Sovjet-verrekijkers, wodka uit Riga, je ziet ook Centraalaziaten met hun vierkante petjes, de dopp, diep weggedoken in hun bontkragen.

Misja is een student uit Moskou, een grote donkere jongen met groene ogen en een baard van drie dagen. Hij spreekt geen woord Pools. Hij is hier samen met zijn vrouw Tamara, hij wijst haar aan, een dik, blond meisje dat schuilgaat in een capuchon en dat over haar hoofd nog een grote plastic lap heeft gedrapeerd. Zij zijn met de trein gekomen, met een reisorganisatie die zich in dit soort reizen specialiseert, Spoetnik, je betaalt 25 dollar en 400 roebel. “We wonen in studentenhotels of jeugdherbergen, we staan hier drie dagen lang, dan gaan we weer naar huis.” Sommigen van ons, zegt hij, komen met een paar flessen wodka, dan hebben ze de reis er al uit: een fles wodka levert de tegenwaarde van drie dollar op, die je in de Sovjet-Unie zwart inwisselt voor 150 roebel, drie flessen wodka komen al neer op een heel riant maandsalaris. Of ze kopen spullen die ze thuis doorverkopen, elektronica vooral.

Misja en Tamara zijn met vier koffers met kinderspeelgoed gekomen, zij laten hun spullen zien, plastic bootjes en waterpistolen. Zij komen hier elke maand. “Ik verkoop alleen maar”, zegt Misja. “Ik koop niets, behalve af en toe een paar bananen of een ananas: ik wissel de opbrengst om in dollars.” Op de terugweg verstopt hij de dollars voor de Poolse douane, om ze voor de Sovjet-douane tevoorschijn te halen: als ze aan de grens zijn geregistreerd kan hij ze, eenmaal in Moskou, op de bank zetten. “We willen met vakantie, naar Nederland misschien wel”, zegt hij. Maar eerlijk is eerlijk: liever wil hij naar Frankrijk, als je Frankrijk hebt gezien heb je alles gezien, “Frankrijk”, zegt hij, “is al mijn hele leven een droom.”

Elke trip naar Warschau levert hem netto 100 dollar op, “het zou meer kunnen zijn als we meer konden meebrengen, maar in de trein lukt dat niet en we hebben geen auto en kunnen ook niet vijf dagen wachten aan de grens”. Dit is zijn tiende keer hier: hij heeft nu bijna duizend dollar. En duizend dollar moet genoeg zijn voor een reis naar Frankrijk, misschien niet voor het verblijf, maar, zegt Misja, ik vind wel iemand bij wie ik kan wonen. En hij lacht en hij trekt zijn hoofd weer in zijn bontkraag, want het sneeuwt vandaag in Warschau, en het sneeuwt zelfs steeds harder.

    • Peter Michielsen