Indonesië moet rijst importeren

JAKARTA, 30 OKT. Nadat Indonesië er zeven achtereenvolgende jaren in is geslaagd in zijn binnenlandse behoefte aan rijst te voorzien, ziet het land zich nu opnieuw gedwongen aanzienlijke hoeveelheden van dit volksvoedsel bij uitstek te importeren. De komende vier maanden zal Indonesië zo'n 600.000 ton rijst invoeren uit Thailand, India en de Volksrepubliek China.

Aanleiding tot dit besluit is een produktiedaling van 2,3 procent ten opzichte van 1990, het gevolg van langdurige droogte en inkrimping van het produktie-areaal. Onlangs deed president Soeharto een moreel beroep op 's lands grootste ondernemers om de boeren bij te staan bij de aanleg van nieuwe rijstvelden.

Hoewel het nieuws al enige tijd in de lucht hing, heeft het weken geduurd voordat Bulog, het machtige staatsapparaat voor primaire voedselvoorziening, de te importeren hoeveelheden bekend maakte. Die terughoudendheid had twee redenen: Jakarta wilde voorkomen dat de wereldmarktprijs voor rijst plotseling zou stijgen en wenste de binnenlandse publieke opinie eerst rijp te maken voor de enigszins delicate stap. Zelfvoorziening in rijst was lange tijd het paradepaardje van het Indonesische landbouwbeleid. Langer uitstel van de beslissing tot importeren zou echter een bedreiging hebben betekend voor het kernstuk van Jakarta's sociale politiek: stabilisering van de binnenlandse rijstprijs.

De voorzitter van Bulog en tevens minister van coöperaties, luitenant-generaal b.d. Bustanil Arifin, zei twee weken geleden dat “importeren geen schande is” en dat de prijsstabiliteit niet in gevaar mocht komen. Deze week maakte hij bekend dat tot februari volgend jaar 400.000 ton rijst zal worden aangekocht in Thailand, 175.000 ton in India en 25.000 ton in de Volksrepubliek China. De prijs per ton ligt tussen de 250 en 285 dollar en de operatie wordt gefinancierd met bankleningen op zachte voorwaarden.

Volgens het Centrale Bureau voor de Statistiek van Indonesië komt de oogst dit jaar uit op 44,7 miljoen ton ongepelde rijst, dat is 2,3 procent minder dan vorig jaar. Deze daling is een forse afwijking van het huidige vijfjarenplan (1989-1994) dat voorziet in een jaarlijkse produktiestijging van 3,2 procent per jaar. Vorig jaar bedroeg de produktiegroei slechts één procent.

De belangrijkste oorzaak van de abrupte daling is de langdurige droogte. Gewoonlijk valt er in Indonesië ook in de droge tijd (juni-september) wat regen. Om de drie jaar is het gedurende een paar maanden helemaal droog. Maar deze droogte is uitzonderlijk. Op Java, waar de meeste rijst wordt verbouwd, heeft men het al negen jaar niet meer zo lang zonder regen moeten stellen. Met als gevolg dat zelfs de gebieden met technische irrigatie in de problemen komen. De grote stuwmeren van West- en Midden-Java staan zonder uitzondering droog. Het stuwmeer achter de vermaarde Kedung Ombo-dam in Midden-Java, waar in april nog 92 meter water stond, is helemaal leeg. Boeren die destijds het veld moesten ruimen voor de omstreden dam bezoeken nu de drooggevallen graven van hun voorouders op de opengebarsten bodem van het meer.

In West-Java staan op dit moment 218.000 hectare sawa (bevloeid rijstveld) droog; over het hele land is een half miljoen hectare drooggevallen. Hoewel dit maar 3,4 procent is van het totale bevloeide rijstareaal van Indonesië, zijn de gevolgen al voelbaar. In Oost-Java heeft de overheid gratis rijst moeten uitdelen aan boerenfamilies die geen geld meer hebben om voedsel te kopen. De regering heeft besloten om de prijs die de dorpscoöperaties aan de boeren moeten betalen voor één kilo ongepelde rijst met ingang van 1 januari te verhogen van 295 rupiah (ongeveer drie gulden) tot 330 rupiah. Als de voorraden in de Bulog-silo's slinken en de rijstprijs in de winkels verder stijgt, loopt de sociale en politieke stabiliteit van het land gevaar.

Niet alleen het weer speelt de Indonesische rijstproduktie parten. Op de middellange termijn ondervindt die ook de negatieve gevolgen van de snelle verstedelijking en industrialisering. Die voltrekt zich vooral op Java, vanouds de rijstschuur van het land. Volgens het Departement van Landbouw is de laatste jaren zo'n 50.000 hectare landbouwgrond geofferd aan de bouw van woningen en fabrieken.

Volgens een presidentieel decreet uit 1990 mag de aanleg van industrieterreinen niet ten koste gaan van de totale oppervlakte aan bevloeide landbouwgrond, natuurgebied en cultuur-historische objecten. Maar de ruimte is beperkt en de strijd om braakliggende gronden wordt dikwijls beslecht in het voordeel van woningbouw en industrie. Dit leidt tot een stagnering van de rijstproduktie; de teeltwijze wordt nauwelijks intensiever en het totale areaal slinkt.

Buiten Java is dit ruimtelijke-ordeningsprobleem minder nijpend. Daar verloopt de aanleg van nieuwe sawa's langzamer dan voorzien. In de eerste drie jaar van het lopende vijfjarenplan is slechts 38 procent van de voorgenomen areaaluitbreiding gerealiseerd. Het kost vier tot zes maanden voor een pas aangelegd rijstveld beplant kan worden en de aanlegkosten zijn hoog. Op Sumatra moet de regering voor iedere hectare bevloeid rijstveld vijf- tot zevenhonderd gulden bijpassen. De smalle beurs van de regering en de grote moeite die het boeren kost om aan krediet te komen, vertragen het sawa-programma.

Deze problemen moeten president Soeharto door het hoofd hebben gespeeld toen hij tijdens de viering van Wereldvoedseldag op 16 oktober de zogenaamde “conglomeraten” (een Indonesische aanduiding voor super-concerns) opriep om geld te steken in de rijstbouw en op afbetaling sawa's aan te leggen voor de boeren. Dit morele appèl is met enige scepsis ontvangen. Het weekblad Tempo plaatste deze week een spotprent waarop een in driedelig costuum gestoken manager voorzichtig de punt van zijn schoen in het water van een rijstveld steekt, terwijl de boer hem toeroept: “Gaat u in de sawa-business, baas?” Een niet met name genoemde vertegenwoordiger van het grote zakenleven vertelde aan het weekblad Editor dat de conglomeraten “nadere aanwijzingen van de president afwachten”, want “het is nog niet duidelijk welke rol hij ons toedenkt.”

Soeharto heeft in het recente verleden wel vaker een beroep gedaan op het vooral door etnische Chinezen bestierde grote bedrijfsleven van Indonesië. Vorig jaar riep hij hen op om tien procent van hun aandelenkapitaal af te staan aan coöperaties om zo “de sociale kloof te helpen dichten.” Daar is weinig tot niets van terechtgekomen. Waar geen rendement valt te verwachten, laten ondernemers de sociale vooruitgang liever aan anderen over.

    • Dirk Vlasblom