Het Simons Syndroom

Studenten bestuurskunde en politieke wetenschappen kunnen er de komende jaren mee aan de slag. Wie de Nederlandse besluitvormingscultuur wil leren kennen neme de zogenaamde "stelselwijziging ziektekosten' ter hand en raakt het zicht op het ziekbed snel kwijt. Maar wordt des te wijzer over de doelen die politici zichzelf stellen en de blikvernauwing die daarbij optreedt.

Toen staatssecretaris Simons in 1989 aantrad met het derde kabinet-Lubbers stelde hij vriend en vijand in gezondheidsland gerust: hij zou gaan luisteren en kijken en geen grootscheepse onzin uithalen. Dat viel goed. Er was al te veel vergaderd over beddennormen en medische-verpleegkundige inkomens. Het had weinig Asklepische uitstraling.

In de betrekkelijke stilte die volgde heeft Simons een van de meest ingrijpende nationale reorganisaties van de laatste decennia ter hand genomen. Volgens sommige kenners van het onderwerp, niet alleen medici, wordt het denken over gezondheidszorg op het ministerie van WVC steeds meer gedomineerd door economen en economische overwegingen.

De staatssecretaris heeft de redeneertrant op het ministerie in Rijswijk bovendien verrijkt met een klassiek gelijkheidsideaal. Of dat het best past binnen de PvdA-scholen van Kok, Van der Louw of Schaefer is nog niet vast te stellen, maar de realiteit van de voorstellen die "Het Plan Simons' zijn gaan heten, is er een van vergaand overheidsingrijpen, gekoppeld aan een duidelijke herverdeling van inkomens.

Over de directe kosten voor de burger is door het ministerie, de premier en door de werkgevers een schimmenoorlog gevoerd aan de hand van allerlei koopkrachtplaatjes. Het Centraal Planbureau heeft berekeningen gemaakt, uitgaande van de voorspellingen van Simons over de werking van zijn stelsel. Iedereen goochelt daarmee naar bevind van zaken. Maar niemand weet of de spelers in het gezondheidsspel zich zullen gedragen zoals de staatssecretaris hoopt. Daarom is het niet makkelijk echt vast te stellen wie meer en wie minder gaan betalen. Individuele burgers zullen wel fiscale gevolgen ondervinden buiten de sfeer van de ziektekosten.

Dat was geen uitgangspunt en is geen voorwaarde voor het kostenbewuster organiseren van de gezondheidszorg. Het is een toegevoegd element. Simons heeft modaal en meer verdienende alleenstaanden en dito tweeverdieners met een particuliere verzekering aangewezen als vrijwilligers voor solidariteit met "arme' bejaarden, zelfstandigen met lage inkomens en mensen met een slechte gezondheid die zich later willen verzekeren. Daar kan men voor of tegen zijn, zoals men voor die koopkrachtchirurgie al of niet de totaalaanpak van Simons kan kiezen.

Maar dat staat los van de organisatorische ambities van Het Plan. De alomvattendheid ervan is permanent onderbelicht in de politieke discussie. De tijdgeest is anders. Bewindslieden reizen duizenden kilometers per week in hun dienstbolides om bestuurders en bewoners van de natie uit te leggen dat Den Haag de sleutels teruggeeft. U zult het zelf moeten opknappen in uw regio, uw stad, uw dorp.

Dit hele decentralisatie-streven is voor vijfenzeventig procent wind, halfhartige nederigheid geboren uit teleurstelling over het niet werken van te ambitieuze schema's van de rijksoverheid. Als zou worden afgerekend met de pretenties van totale rechtvaardigheid in alle denkbare gevallen en met de universele raadpleging van iedere vergadering groter dan twee man, dan hoeven de ministers van mest-, woning- of politiezaken niet te doen alsof zij wethouders al hun eigen problemen toevertrouwen. Nederland is bij de meeste onderwerpen te klein voor decentralisatie - we doen net alsof we zelf Europa zijn -, maar het is hoge mode.

Het meest verbazende van het Plan-Simons is dat niemand zich zorgen maakt over de omvang van het project, en de verfijning nodig om het te laten werken. In de gezondheidszorg gaat jaarlijks viftig miljard om, even veel als een kwart van de rijksbegroting (hoewel slechts tien procent van het rijk komt, de rest wordt direct door de burger opgebracht). Je zou denken dat ambtenaren en politici geleerd hadden van de weerbarstigheid van grote projecten. In de sociale zekerheid ijlt iedereen van een mini-stelsel. Hier is een meer-dan-maxi-stelsel in aanbouw.

Na de successen met de invoering van een fraudebestendig paspoort, een sluitende controle van de visvangst ter zee, de automatisering van de bevolkingsadministratie, de individuele huursubsidie en de toepassing van het strafrecht is het kennelijk tijd voor iets groters. In dat licht bezien is het een complicerend voordeel dat je bij gezondheidszorg met veel meer partijen en soorten verrichtingen te maken hebt. Een gebied bij uitstek voor kinderziektes.

De politiek delegeert problemen groot en klein graag aan een paar specialisten uit eigen kring. Zoals bekend hebben die in de Tweede Kamer in juni de tweede fase van Het Plan goedgekeurd. Het was nog spannend, want CDA en PvdA gaven elkaar niets toe over de vraag hoeveel procent premie in een vast bedrag en hoeveel procent afhankelijk van het inkomen geheven zou worden. De marge was drie procent. Na weken touwtrekken kwam er een verdeling uit die bij invoering geldt, maar daarna kan veranderen.

Vragen over de beheersbaarheid van een compleet gereorganiseerd systeem, waarin vijfhonderdzestigduizend mensen werken (meer dan elf procent van alle werkenden in Nederland), werden en worden niet consequent gesteld. Zoals de discussie zich in juni verengde tot het percentage voor iedereen gelijke premie, ging het in september over koopkrachtplaatjes en nu over een onsje meer of minder zorg per 1 januari overgeheveld naar het nieuwe systeem.

De staatssecretaris die zijn naam aan Het Plan heeft verbonden kan niet meer terug. Het is Ja of Niets. Voor Lubbers en Brinkman lijken de concessies van juni (iedere Algemene maatregel van bestuur voorleggen aan de Tweede Kamer) niet meer actueel. De PvdA heeft de WAO geslikt en moet nu kost wat het kost aan een trofee worden geholpen. De Eerste Kamer moet zijn plaats kennen. De CDA-knieën knikken al.

Het Simons Syndroom is kennelijk onvermijdelijk bij omvangrijke wetgevingsprojecten. Zelfs bij het Nieuw Burgerlijk Wetboek, dat op de zelfde 1 januari 1992 het recht en de rechtspraktijk op zijn kop zet, gold op een bepaald moment het argument: we zijn er zo lang mee bezig geweest, laten we nu maar doorgaan. Bewindslieden van onderwijs hebben er ook vaak succes mee. Tunnelgedrag waarbij de rede door zuurstofgebrek wordt uitgeschakeld. Heel menselijk. Sommige onderwerpen zijn alleen te belangrijk voor ruilhandel op de markt van prestige- en coalitie-verplichtingen.