Godswonder

In de drie kwartier dat we bij haar te gast zijn, blijft ze het herhalen: “Een wonder! Het is gewoon een wonder!” Zo vaak krijgt ze geen bezoek, moeten we weten. Ze is veel alleen. Maar nú, het is een zeer speciale week, al drie dagen achter elkaar mensen over de vloer van haar piepkleine huisje.

Op een zonnige middag zijn we, moe van de stadswandeling, bij dit eeuwenoude hofje beland. Kleine huisjes, perfect onderhouden tuinen en grijsharige schimmen achter de vitrage. Midden in de drukke stad is deze stilte haast onwerkelijk. Rustgevend en beklemmend tegelijk: een begraafplaats voor de langstlevenden.

Ze stond in de deuropening. “U bent geloof ik nog nooit in mijn huisje geweest”, hoorden we haar zeggen tegen een buurvrouw. Even tevoren had die ons bij de ingang staande gehouden en ons ongevraagd, als een volleerde gids, enkele geschiedkundige wetenswaardigheden over het hofje verteld. In een korte adempauze hadden we haar vriendelijk bedankt voor haar uitleg en aanstalten gemaakt onze weg te vervolgen. Verbaasd was ze blijven staan. Wilden we dan niet dat ze meeliep?

“Ik heb uw huisje al eens gezien”, antwoordde ze nu bits haar buurvrouw. Brutaal maakten wij van de gelegenheid gebruik en blij verrast nodigde de oude vrouw ons uit voor een glaasje grenadine. Binnen nam ze ons op, haar hoofd een beetje schuin, en informeerde ernstig naar onze leeftijd. Ze keek op haar horloge en constateerde dat we zeker geen werk hadden. En nu moesten wij eens raden hoe oud zij was. Táchtig, jawel, ga er maar aan staan!

Ik vertel dat mijn ene oma 93 is geworden en de andere zelfs 97. “Dus ik vind tachtig nog niks”. Daarop verheft ze zich uit haar stoel en komt terug met voor elk van ons een schoteltje met daarop vier stukjes chocola en een koekje.

Ze geeft een uitgebreide rondleiding door haar woning, trekt kasten open en noemt de vermeende ouderdom van de diverse meubelstukken. Vanaf de leeftijd van 55 jaar kan men zich in dit hofje inschrijven. Enige financiële reserve wordt op prijs gesteld: per maand is onze gastvrouw meer dan 1.100 gulden kwijt, met inbegrip van verzorgde warme maaltijden.

Aan de wanden van de woonkamer hangen portretten van het koninklijk huis. Een staatsieportret van Juliana en Bernhard, een jeugdfoto van Beatrix (“Die zie ik het liefst”), prinsjes op een zeilboot. Zorgvuldig gedrapeerde oranje lappen onder elke lijst. Een allegaartje van meubels, verkregen uit erfenissen. Vanaf haar dertiende werkte ze bij oude, rijke dames. Kost en inwoning. Altijd in deze stad.

Lang geleden heeft ze het even geprobeerd bij een mevrouw in Zandvoort, maar nog voor het jaar om was, zat ze weer hier. De rest van Nederland kent ze van de televisie. Ze heeft nooit de behoefte gevoeld elders rond te kijken. “Daarbij heb ik geen belang.” Tachtig en dit is haar eerste eigen huis. Ze had zes broers en haar enige zus woont honderd kilometer verderop. De bewoners van het hofje leven allemaal hun eigen leven, het is niet te vergelijken met een bejaardenhuis. “Hier wordt niet geroddeld, want de mensen weten niet veel van elkaar.” Het leven is niet slecht voor haar geweest. En hoe vinden we haar jurk? Was nog van haar laatste werkgeefster. Ze kan er maar niet over uit dat wij hier zitten. Drie dagen achter elkaar bezoek! Weten wij dat daar een uitdrukking voor is? “Op maandag bezoek, is de rest van de week koffie met koek!” Een Godswonder.

Wanneer we weggaan, zwaait ze ons uit tot we uit het zicht verdwenen zijn. Buiten de poort, waarbij het straatrumoer voor een enorm contrast zorgt met de rust in het hofje, kijken we elkaar hoofdschuddend aan. Levensgevaarlijk. Om zomaar wildvreemde mensen binnen te laten. Op haar leeftijd. In negentienéénennegentig. Iemand zou haar moeten waarschuwen voor vreemdelingen zoals wij. Haar moeten zeggen dat ze zich niet moet laten inpalmen door een vriendelijk gezicht. Vooral niet wanneer dat gezicht van een vrouw of een kind is, want dan kun je er donder op zeggen dat deze vrouw of dat kind het voorbereidende werk doet voor een, zich achter een muurtje schuilhoudende criminele bende.

Een oude dame laat twee vreemdelingen binnen en wanneer ze weg zijn, mist ze niets, nog geen asbak. Een wonder, inderdaad.

    • Hilde de Bresser