De grootste

Amsterdam krijgt waar het eeuwenlang op heeft moeten wachten: de hoogste toren van Nederland. De Larmag-toren die nabij station Sloterdijk zal verrijzen, mag met recht wolkenkrabber worden genoemd. Het gebouw zal, met een hoogte van 210 meter, de Rotterdamse Euromast (185 meter) ver achter zich laten.

Maar geen spoor van trots of jubel in de hoofdstad. Men beziet de Larmag-toren veeleer als een horizonvervuilend, megalomaan project, waarvoor de gemeente schoorvoetend toestemming heeft moeten verlenen. De Larmag Investments Group stelde zich als "wisselgeld' voor de gemeentelijke goedkeuring zeer welwillend op bij de verkoop van een stuk land dat noodzakelijk is voor de uitbreiding van het Sloterdijk-station. Vandaar.

Gewenst of niet, Amsterdam heeft binnenkort de grootste. Vroeger zou dat een triomf zijn geweest.

In het midden van de zeventiende eeuw, toen Nederland nog een wereldmacht was en Amsterdam zich kortstondig de navel van het universum waande, werden serieuze pogingen in het werk gesteld om de Utrechtse Dom te overtreffen. Het welvarende Amsterdam beschikte niet over een toren die uitdrukking gaf aan het prestige van de stad. In het centrum diende een kerktoren te verrijzen die het naburige Utrecht voor eens en altijd op zijn plaats zou wijzen.

De plannen werden actueel toen een felle brand de Nieuwe Kerk in 1645 goeddeels in de as had gelegd. Het stadsbestuur besloot gelijktijdig met het herstel van de kerk, aan te vangen met de bouw van een reusachtige toren. De eerste palen voor de fundering gingen in 1646 de grond in, maar kort daarop wilde het werk al niet meer zo vlotten. Alleen op schilderijen uit die tijd domineerde de machtige toren alvast het Amsterdamse stadsbeeld.

De reden voor het oponthoud lag pal naast de Nieuwe Kerk. Daar was in 1648 de eerste steen gelegd voor het nieuwe stadhuis (het huidige Paleis op de Dam). Onder leiding van Jacob van Campen vorderde de bouw gestaag, maar de schatkist vloeide even hard leeg. De bouw van het "achtste wereldwonder' leidde tot enorme budget-overschrijdingen en bestuurlijke conflicten: een waardig precedent voor de perikelen rondom de Stopera ruim drie eeuwen later. Hoe rijk Amsterdam ook was, de gelijktijdige aanbouw van zulke kostbare gebouwen ging de mogelijkheden te boven.

Een geldverslindende oorlog met Engeland begin jaren vijftig in de zeventiende eeuw dwong het stadsbestuur een keuze te maken. De voorstanders van een kerktoren moesten het tegen de wereldlijke machthebbers afleggen. De Nieuwe Kerk bleef torenloos.

Hoewel de meningen over de wenselijkheid van een grote toren sindsdien aan trends onderhevig zijn gebleken, is er in de afgelopen eeuwen niet veel veranderd. Het zijn nog altijd de financiële noden van Amsterdam die dicteren of een gebouw er wel of niet komt.

Copyright illustratie: Amsterdams Historisch Museum