Strenge normen EMU, maar toepassing flexibel

DEN HAAG, 29 okt. - Heeft Europa in het jaar 2000 één Europese munt, met één Europese centrale bank? En wat betekent dat voor de economie, nu en straks?

Minister Kok was gisteravond optimistisch. “Het kan nog net vóór de eeuwwisseling zover zijn”, zei hij bij de presentatie van het Nederlandse ontwerp-verdrag voor een Economische Monetaire Unie (EMU). Eén Europese munt is echter een fictie zolang er niet één monetair beleid is. Dus moet elke lidstaat die mee wil doen voldoen aan strenge economische en financiële criteria. Daartoe waren in principe drie wegen denkbaar.

Het Delors-rapport, dat de EMU-trein in 1989 in beweging zette, nam het zekere voor het onzekere en koos voor harde, getalsmatige normen ten aanzien van inflatie, rente en overheidstekort. Een tweede mogelijkheid was die van de Gulden Regel: voor investeringen mag de overheid geld lenen, voor lopende uitgaven niet. De derde mogelijkheid was de meest structurele: de overheid mag niet meer lenen dan het spaaroverschot van bedrijfsleven en burgers.

De Nederlandse ontwerp-tekst volgt het rapport-Delors en kiest voor harde normen. Het overheidstekort mag niet groter zijn dan 3 procent van het bruto binnenlands produkt, en de overheidsschuld moet tot 60 procent van het bbp beperkt blijven. De inflatie mag die van de drie “beste” landen niet met meer dan 1,5 procentpunt overschrijden. De wisselkoers moet twee jaar lang “zonder ernstige spanningen” de grenzen van het huidige Europese Monetaire Stelsel respecteren. En de lange rente mag de rentevoet in de drie landen met de laagste inflatie met niet meer dan 2 procentpunten overschrijden.

Zo'n tableau van eisen lijkt keihard, en zou landen als Griekenland en Italië - maar zij niet alleen - in grote problemen brengen. Maar het is slechts één kant van de medaille. Minister Kok bracht de andere kant gisteravond treffend onder woorden. “De criteria zijn precies geformuleerd, maar worden beleidsmatig gehanteerd, en niet mechanisch, niet statistisch.”

De praktijk zal er - nog steeds volgens de ontwerp-tekst - als volgt uitzien. Als een overheidstekort of -schuld niet aan de criteria voldoet, wordt een land de toegang tot de EMU zeker niet automatisch ontzegd. Dat wordt pas mogelijk als er ook onvoldoende zicht is op het terugbrengen van de schuldquote in een “aanvaardbaar” tempo. Maar ook dan gaat de deur niet automatisch dicht.

Eerst moet worden onderzocht of het overheidstekort (c.q. de overheidsshuld) werkelijk “excessief” en “onhoudbaar” is. Spaaroverschotten in andere sectoren spelen bij dat onderzoek mogelijk een rol (wat voor Nederland gunstig is). De conclusie uit dat onderzoek wordt, na een aanbeveling van de Europese Commissie, getrokken door de Raad van ministers van financiën (Ecofin). De besluitvorming vindt volgens de tekst plaats op basis van de principes “geen veto, geen dwang en geen willekeurige uitsluiting”.

Op enkele andere punten is de ontwerp-tekst duidelijker. Overheidstekorten mogen volgens het Nederlandse ontwerp-verdrag niet met geldschepping worden afgedekt (geen monetaire financiering). Volgens dezelfde tekst mag er ook geen beleggingsdwang zijn (bijvoorbeeld voor pensioenfondsen). Landen die zichzelf in problemen brengen kunnen niet automatisch rekenen op EG-steun (het “no-bail-out”-beginsel). En last but not least zullen de overheidstekorten zelf binnen de perken moeten blijven.

Minister Kok maakte gisteravond duidelijk waarom de EMU voor hem zo belangrijk is. “Geld, rente, prijsstabiliteit, het zijn allemaal belangrijke zaken, maar het gaat uiteindelijk om de sociaal-economische ontwikkeling, om een duurzame ecologische en economische ontwikkeling.” Uiteindelijk hangt alles met alles samen.

    • Kees Calje