Picasso's surrealisme kent geen droombeelden

Tentoonstelling: Picassos Surrealismus - Werke 1925 bis 1937. T-m 15 dec. in de Kunsthalle Bielefeld. Open di, wo, vr, zo 11-18 u; do 11-21 u; za 10-18 u. Catalogus. Prijs DM 49,-.

Was Picasso een surrealist? De tentoonstelling Picassos Surrealismus, die tot en met 15 december in de Kunsthalle Bielefeld te zien is, biedt de bezoeker geen kant en klaar antwoord op deze intrigerende vraag. Het eerste schilderij op deze tentoonstelling, De omhelzing (de kus), markeert de verandering die Picasso's werk in 1925 onderging. De zogenaamde klassicistische periode met de monumentale (vrouwen) gestalten is hiermee afgesloten. De kus, waarop een man en vrouw in een heftige omarming zijn afgebeeld, is een provocerend, agressief schilderij.

De laatste werken op de expositie, die bestaat uit honderd schilderijen, beelden, tekeningen en grafiek, zijn afbeeldingen van een huilende vrouw. Deze aangrijpende portretten houden rechtstreeks verband met het ontstaan van Guernica (1937), Picasso's aanklacht tegen de Spaanse Burgeroorlog.

De titel van de expositie is goed gekozen: Picasso onderhield in de periode 1925-1937 weliswaar contacten met de surrealistische beweging, maar hij had over het surrealisme zijn eigen, specifieke opvattingen.

Picasso heeft nooit abstract geschilderd, de banden met de zichtbare werkelijkheid heeft hij nooit verbroken. De omhelzing (de kus) is geen gemakkelijk 'leesbaar' schilderij. Het lijkt heel abstract - pas bij nadere beschouwing worden de losse, decoratieve fragmenten herkenbaar als armen, benen, ogen, tenen, haren. Het is opvallend hoe vrij Picasso met vormen en tekens speelt: voor mond en vagina gebruikt hij bijvoorbeeld hetzelfde teken.

Welk verband bestaat er nu tussen dit schilderij en het Surrealistisch Manifest van André Breton, dat in 1924 verscheen? Breton schreef hierin niet over schilderkunst, maar verklaarde over de literatuur (romans) dat het afgelopen moest zijn met de banale beschrijving van de werkelijkheid. In de toekomst, zo geloofde hij, zouden twee schijnbaar tegengestelde toestanden, droom en werkelijkheid, samengaan tot een absolute realiteit, het surrealisme. Een andere bekende, bij de surrealisten geliefde uitspraak is afkomstig van de Franse dichter Lautréamont en gaat over de poëzie en schoonheid die kan ontstaan bij een toevallige ontmoeting van een paraplu en een naaimachine op een ontleedtafel.

Met beide uitspraken heeft Picasso's schilderij weinig uitstaande. De kus heeft, net als bijna al het werk van Picasso, wel te maken met gebeurtenissen in zijn privé-leven. Zonder te willen suggereren dat het oeuvre van Picasso is terug te brengen tot een visueel 'dagboek', is deze informatie niet onbelangrijk voor een beter begrip van zijn werk. In deze periode namen de spanningen tussen Picasso en zijn vrouw Olga Koklova toe en dat komt ook tot uitdrukking in dit complexe, emotionele schilderij. De figuren worden tot elkaar aangetrokken, maar stoten elkaar ook af. De omhelzing is niet langer liefdevol, maar verstikkend. Picasso had kennelijk een speciale band met het schilderij: hij heeft het nooit verkocht en tijdens zijn leven is het slechts eenmaal, in 1953, geëxposeerd onder de enigszins misleidende titel 'Aan het strand'.

De voorman van de surrealisten, Breton, was al voor hij Picasso in 1921 persoonlijk leerde kennen, een grote bewonderaar van zijn werk. In het begin van de jaren twintig wist Breton bijvoorbeeld de modeontwerper en verzamelaar Jacques Doucet, bij wie hij als bibliothecaris werkzaam was, tot de aankoop van Les demoiselles d'Avignon te bewegen. Ook beeldde hij Picasso's werk regelmatig af in het tijdschrift La Révolution Surréaliste. Voor Breton's tekst Le Surréalisme et la peinture (1925) was zijn werk een belangrijke bron van inspiratie. Breton bewonderde vooral de absolute vrijheid waarmee hij met de dingen zijn eigen wereld creëert. Het enige verwijt dat Breton Picasso veel later, in 1961, maakte (afgezien van politieke meningsverschillen) was dat hij zich te veel aan de zichtbare werkelijkheid hield, waardoor hij blind was voor droom- en fantasiebeelden.

In een groep tekeningen en etsen uit 1933-34 lijkt Picasso, die zich nooit formeel heeft aangesloten bij de surrealisten, bijna surrealistischer dan de surrealisten zelf. De figuren die hij tekent - sommige heten ook Figures Surréalistes - bestaan bijvoorbeeld uit kegels, bollen, stoelen, kopjes, een zwaard en een ladder die losjes op elkaar gestapeld zijn. Gewone voorwerpen ondergaan in deze nieuwe context een metamorfose. Het heeft een komisch effect wanneer hij in een ets een klassieke vrouwelijke naaktfiguur confronteert met zo'n surrealistische sculptuur. Hoe fantastisch deze figuren ook lijken, ze blijven geworteld in de realiteit. Zo kan men in een van deze etsen een symbolische afbeelding van Olga ontdekken in conflict met Marie-Thérèse Walter, het zeventienjarige meisje dat Picasso in 1927 ontmoette en dat zijn matresse werd.

Een aantal van deze tekeningen werd afgebeeld in het tijdschrift Minotaure dat in 1933 voor het eerst verscheen. De contacten tussen Picasso en surrealisten als Paul Eluard, Michel Leiris en Dal die ook in dit blad publiceerden, werden hierdoor intensiever. In deze tijd gaat Picasso ook verder met het Minotaurus-motief, dat in 1928 voor het eerst in zijn werk opduikt. Deze mythologische figuur - half man, half stier - symboliseert de dierlijke instincten in de mens-kunstenaar. Vooral de "al te menselijke' eigenschappen van dit fabeldier zouden Picasso hebben aangesproken, volgens de fotograaf Brassaï, terwijl de surrealisten het juist vereerden om zijn irrationele, onnatuurlijke en bovenmenselijke krachten. De Minotaurus was voor hen ook het symbool van het eeuwige conflict tussen het bewustzijn en het onderbewustzijn. Een hoogtepunt in de serie werken met dit thema is de ets La Minotauromachie (1935) waarin Picasso op onnavolgbare wijze mythe en persoonlijk leven dooreen geweven heeft. Deze ets wijst overigens vooruit naar de Guernica.

Op de tentoonstelling is een drietal bronzen beelden te zien uit 1931, een liggende baadster en twee koppen. Deze koppen, portretten van Marie-Thérèse, zijn met hun gezwollen, bijna abstracte vormen sterk erotisch geladen.

Picassos Surrealismus is geen volledig overzicht van de periode 1925-37 zo ontbreken bijvoorbeeld gelaste, ijzeren beelden en een schilderij als De kruisiging (1930) die zeker ook in verband gebracht kunnen worden met het surrealisme. Toch geeft de tentoonstelling een goed beeld van de veelzijdige en complexe relatie tussen Picasso en het surrealisme.

Tenslotte nog dit: het is een verademing om te constateren dat je kennelijk ook een tentoonstelling van een beroemde kunstenaar kunt organiseren zonder dat de rest van het museum wordt omgebouwd tot een winkel ten behoeve van de verkoop van catalogi, reprodukties, briefkaarten, buttons en T-shirts. Af en toe schalt wel het geluid van een videoprogramma door de hal, maar dat is dan ook het enige dat de rust verstoort.

    • Din Pieters