Voor de Palestijnen zijn de hoopvolle tijden voorbij

Precies 23 jaar geleden stoof zij in haar sportauto naar het duurste hotel van Beiroet. Daar vertelde Soraya, de dochter van een bekende Palestijnse schrijver, over geschiedenis en toekomst van het Palestijnse volk. Wij zaten op het terras van Hotel Saint Georges. Op de gladde, donkerblauwe Middellandse Zee raasden een paar waterskiërs. De vrouwen op het terras keken bewonderend naar hun gebronsde lijven, waartegen het witte schuim van de zee zo schilderachtig opspatte.

Maar Soraya lette alleen op haar glas en zei met hartstocht in haar stem: “Wij Palestijnen zijn vluchtelingen geworden, maar wij weigeren vluchtelingen te blijven. Nooit en te nimmer zullen wij onze identiteit opgeven, altijd zullen wij Palestijnen zijn. Eens zullen wij weer naar ons land terugkeren. Daarover is geen compromis mogelijk. En daarom weigeren de Palestijnse vluchtelingen een vast dak boven hun hoofd.”

Daarmee reageerde zij op mijn ontzetting over de walgelijke toestanden in de kampen, waar de dichtbevolkte krotten met hun plaatijzeren daken lekten en waar het rioolwater vrij over de modderige, ongeplaveide straten liep.

Zijzelf, ook vluchteling, kwam uit een gegoede Jeruzalemse familie en zij beschikte dan ook over een eigen, ruime flat in Beiroet. Haar sluimerende patriottisme was een jaar tevoren opgelaaid, tijdens de aanloop naar de juni-oorlog tegen Israel. Na die zo fataal verlopen oorlog, die iedereen in de Arabische wereld reeds gewonnen waande, hadden zij en haar vrienden avonden lang bij elkaar gezeten. Eerst hadden ze gezwegen, daarna als troost elkaar gedichten voorgedragen uit een beter, roemrijker verleden. Nu had zij besloten om zich volledig in te zetten voor haar volk.

Soraya woont thans in Frankrijk. De hoopvolle dagen van toen zijn voorbij. Beiroet en heel Libanon veranderden een paar jaar later in een met bloed doordrenkt gekkenhuis. Het Saint Georges werd volledig in elkaar geschoten. De Palestijnse kampen uit 1948, die in werkelijkheid verstedelijkte krottenwijken waren, zijn kapot gebombardeerd - door Israel, door de Libanese christenen, door de Libanese shi'ieten, door de Syriërs, ja zelfs door mede-Palestijnen. De wederopbouw wordt door de Libanezen aan alle kanten tegengewerkt. En sommige begraafplaatsen van die kampen worden thans door shi'itische Libanezen als voetbalvelden gebruikt.

Een aantal Palestijnse groepen die in de jaren '60 werden geboren, bestaat nog steeds. Zoals Al-Fatah, dat in het Palestijnse nationalisme de motor zag van het Arabische nationalisme. Of het Volksfront voor de Bevrijding van Palestina van dr. George Habash, dat juist het Arabisch nationalisme beschouwde als de hoeder en bewaker van de Palestijnse rechten. Daarnaast zijn er nog vele andere Palestijnse afsplinteringen, de meeste in comateuze toestand. Zoals Saiqa, dat geheel gerecruteerd en geleid werd door een van de Syrische inlichtingendiensten. De organisatie heeft nog wel een gereserveerde plaats in het dagelijks bestuur van de PLO.

Pag 4:

Oorlog biedt Midden-Oosten geen uitkomst

Hun niet aflatende Gewapende Strijd - meestal tegen burgers - die zij Revolutie noemden om aan te geven dat zij het Palestijnse volk aan de vergetelheid ontrukten, gaf na de juni-oorlog van 1967 zowel de Palestijnen als alle andere Arabieren een nieuw gevoel van trots en zelfbewustzijn.

Nú zijn bijna al die bewegingen tot de draad toe versleten. Steeds vaker ontaardde de strijd die zij tegen Israel en tegen het Westerse imperialisme hadden willen voeren, in een oorlog tegen mede-Arabieren. Oorlog met wisselende coalitiegenoten tegen wisselende vijanden. Oorlog die geen enkele oplossing bracht. Oorlog omwille van een betere toekomst, die met zoveel verwachtingen begon en die in een zee van ellende, zelfvernietiging en nieuwe wanhoop eindigde.

Geen uitkomst

Ook de intifadah, de opstand van de Palestijnen in de door Israel in 1967 veroverde gebieden, bracht uiteindelijk geen uitkomst. De intifadah verzwakte weliswaar het imago van de vijand Israel zeer aanzienlijk. Maar de opstand had ernstige sociaal-economische gevolgen voor de Palestijnen. Hun eens zo conservatieve samenleving verarmde, polariseerde en verloederde. De gegoede middenklasse verloor haar machtspositie. Israels onderdrukkingsmaatregelen en de machteloze woede die die oproepen, leiden volgens een Palestijnse psychiater uit Gaza tot ernstige gezinsproblemen en sociaal geweld: mannen, die uit machteloze frustratie hun vrouw en kinderen, of hun jongere broers en buren in elkaar slaan.

Zelfs de belangrijkste pilaar voor de toekomst van de Palestijnen - het onderwijs dat men zo koesterde - stortte ineen. Want naast Israel, dat de opstandige Palestijnse bevolking bestrafte met de sluiting van haar scholen en universiteiten, bestrafte de Palestijnse jeugd ook zichzelf. Als logisch voortvloeisel van haar ervaringen tijdens de intifadah erkent zij geen enkele bestaande autoriteit meer.

Tijdens de schoolexamens van enkele maanden geleden werden bij voorbeeld de controlerende leraren zodanig geïntimideerd, dat zij met de rug naar de klas het raam uitkeken, terwijl hun pupillen met behulp van meegebrachte boeken en spiekbrieven grandioos slaagden en van hun examenpapieren waardeloze vodjes papier maakten.

Oud adagium

Een meerderheid van de Palestijnen in de bezette gebieden beseft dan ook dat het oude adagium niet langer opgaat dat men eindeloos moet wachten op andere machtsverhoudingen en - daaruit voortvloeiend - op een betere toekomst.

Wie zijn land niet langer kan bewerken omdat dat door de bezettingsautoriteiten in beslag is genomen, wie niet langer kan oogsten omdat er onvoldoende water beschikbaar is, wie met eigen ogen constateert dat er op een steenworp afstand een nieuwe joodse nederzetting wordt gebouwd, wie geen werk vindt om zijn gezin te onderhouden, kan moeilijk geduldig betere tijden afwachten. Zo iemand wordt pragmatisch of radicaal.

Typerend voor die gevoelens zijn de uitspraken van een fel nationalistische Palestijnse journalist. Op het eerste gezicht heeft hij de beste relaties met de leiders van de PLO en vereert hij hen. Maar onder vier ogen verwoordt hij de gevoelens van velen met een bittere aanklacht: “Onze leiders hebben ons bedrogen - jarenlang. Zij hebben nooit serieus oorlog tegen Israel gevoerd. Als wij systematisch, elke dag, twee of drie Israeliërs hadden vermoord - en dat is helemaal niet zo moeilijk in een stad als Tel Aviv - waren de Israeliërs veel eerder tot een regeling bereid geweest. Wij deden dat niet omdat wij daartoe niet bereid of in staat waren. Dus hadden wij veel eerder vrede moeten sluiten. Ik persoonlijk ben voor vrede met Israel - hoe eerder hoe beter. Laat het veertig jaar vrede zijn en laten wij, Palestijnen, dan opnieuw bezien hoe wij ons land kunnen herwinnen. Want vrede of geen vrede, het land is van ons.”

Bittere realiteit

De meeste Palestijnen die in 1948 naar Libanon, Syrië en Jordanië vluchtten, hebben zich stilzwijgend neergelegd bij de bittere realiteit dat zj niet naar hun vroegere haardsteden in Israel zullen terugkeren. Zij belijden de oude retoriek, maar zij weten beter.

In juli 1982, een maand na de Israelische inval in Libanon, was de 22-jarige Laila een van de weinige, nog resterende bewoners van het kamp Ain el-Hilweh in Zuid-Libanon. De Palestijnse commandant van het kamp, een moslim-fundamentalist, had besloten dat de hele bevolking van Ain el-Hilweh het beste met martelaarschap gediend was. Hij liet de mensen die een einde aan het zinloze bloedvergieten wilden maken, doodschieten en zette de ongelijke strijd door. Als gevolg werd Ain el-Hilweh door de aanhoudende Israelische bombardementen met de grond gelijk gemaakt.

Na afloop van de strijd scharrelden tussen en onder de puinhopen een paar vrouwen rond op zoek naar een jurk, een ketel of een stoel. De diepe stilte werd slechts verbroken door het gezoem van miljoenen vliegen. De weezoete lucht van wegrottende mensenlichamen drong door alles heen.

De jongens en mannen die het hadden overleefd, waren als gevangenen door de Israelische troepen afgevoerd. Slechts een paar honderd vrouwen en kinderen waren overgebleven, dagelijks met de dood bedreigd door binnenvallende Falangisten, strijders van de christelijk-maronitische militie. Niemand waagde het een voet buiten het kamp te zetten omdat de maronieten overal jacht op Palestijnen maakten.

Zoals alle vrouwen in het kamp, was Laila nog steeds in shock. Terwijl de tranen over haar wangen liepen, zei ze: “Ik ben hier in Libanon geboren en ik dacht dat dit mijn land was. Maar als ik in de schaduw van een boom wil zitten, jaagt een Libanees mij weg. Waarom mag ik de schaduw niet met Libanezen delen? Het is toch ook mijn boom? Ik ben toch ook Libanees?”

Verbijsterd vroeg ik haar: “Maar is Palestina dan niet jouw land?” “Ja natuurlijk”, zei ze. “Maar het land waar je geboren bent en woont, is toch ook jouw land, zolang je niet naar huis terug kunt?”

Zij drukte de gevoelens uit van honderdduizenden Palestijnen in de Arabische diaspora. Gevoelens, die officieel door de politici ten stelligste worden ontkend. Dat deden zes jaar geleden de leiders van Beqa'a, een Palestijns vluchtelingenkamp in Jordanië. Onder het goedkeurend oog van de toezichthoudende Jordaanse autoriteiten zeiden zij dat zij hun strijd zouden verder voeren onder leiding van koning Hussein en van ... - er volgde even een aarzelende stilte - Abu Ammar (het pseudoniem van Yasser Arafat), totdat zij hun “Recht op Terugkeer” hadden gekregen.

Een klein feitje weersprak hun mededeling: de open riolering, en daarmee de eeuwige vliegenplaag, was verdwenen. Men beschikte sinds enige tijd over heuse rioolpijpen, ingegraven in de grond. Toen dan ook 's konings controleurs even op afstand waren, fluisterden vier niet eens zo oude Palestijnen aan de uitgang van het kamp dat zij, naar hun verwachting, tot het einde van hun dagen in Beqa'a zouden blijven.

Hetzelfde fenomeen deed zich in Koeweit voor na de Iraakse overval van vorig jaar. Een deel van de Palestijnse gemeenschap, die zich door de Koeweiti's gediscrimineerd voelde omdat zij als buitenlanders over veel minder rechten beschikte, zag in de Iraakse overname de mogelijkheid om voor zich meer macht en een permanent verblijf in Koeweit te veroveren.

Dubbel gevoel

Dit dubbele Palestijnse gevoel - dromend van de terugkeer naar Palestina, maar intussen hopend op een betere toekomst in het gastland, dat in de loop der tijden toch een soort vaderland is geworden - leidde tot ernstige spanningen met de lokale bevolking. Palestina was en bleef voor alle Arabieren een heilige zaak, maar Palestijnen werden vaak verdoemd in die Arabische landen waar zij in groten getale leefden.

De Palestijnse strijd, eens geestdriftig begroet door de andere Arabische volkeren, is niet langer een bron van inspiratie voor de niet-Palestijnse Arabieren. Alleen de bewegingen die zich op Allah en de islam richten, voeren Palestina nog in hun vaandel. Voor de overige Arabieren is Palestina een knagend, kostbaar probleem geworden en zijn de Palestijnen een steeds vervelender blok aan het been.

Daarom loosden de Arabische Emiraten aan de Golf de afgelopen maanden honderdduizenden Palestijnen. De (propaganda)oorlog die Saddam Hussein en zijn bondgenoten tegen de Golf-Arabieren voerden, maakte in de ogen van de Golf-Arabieren het Arabische nationalisme en het daarmee verbonden Palestijnse nationalisme een synoniem voor dodelijke bedreiging. De Egyptische regering voert al jaren, zonder dat iemand er publiekelijk over spreekt, een uiterst restrictief beleid ten aanzien van Palestijnen.

Zeer onlangs vertelde de Libanese president Elias Hrawi aan Yasser Arafat dat er op den duur in zijn land voor Palestijnen geen plaats is, aangezien het kleine Libanon werk en huisvesting moet bieden aan miljoenen Libanezen die nu nog in de diaspora leven. Hrawi - die als vazal van Syrië al zijn buitenlandse stappen door Damascus voorgeschreven krijgt - liet het niet bij deze discrete mededeling. Vorige week herhaalde hij in een vraagesprek met Le Monde dat Libanon aan de vredesconferentie van Madrid meedoet om duidelijk te maken dat “500.000 Palestijnen op ons grondgebied leven .. en dat er geen sprake van is dat wij hun blijvende vestiging in ons land accepteren. Wij moeten daar (in Madrid) zijn om dat te zeggen.”

Nieuwe hoop

De vijf oorlogen die de Arabieren omwille van Palestina tegen Israel hebben gevoerd, hebben in de Arabische wereld geleid tot honderdduizenden doden, miljarden oorlogsschade en onpeilbare hoeveelheden verdriet, haat en verbittering. De prijs die de Arabische volkeren betaalden, leidde tot oorlogsmoeheid. Zelfs bij de Palestijnen heeft een meerderheid zich neergelegd bij het sombere vooruitzicht dat Israel in de nabije toekomst niet verslagen zal worden.

Toch leeft bij elke nieuwe ontwikkeling de hoop weer even op. Maar de verwachtingen die bij voorbeeld Saddam Hussein met zijn enorme wapenarsenalen wekte, werden door de Golfoorlog definitief de bodem ingeslagen. In Palestijnse kring praat niemand meer over de vereerde leider van een half jaar geleden. Hij is geschiedenis geworden, alsof hij tien eeuwen geleden leefde.

Daarna flakkerde in augustus nog éénmaal de hoop op - ten tijde van de anti-Gorbatsjov-coup - dat de strijd van zoveel jaren misschien tòch niet tevergeefs gestreden was, dat er misschien tòch nog toekomstverwachtingen waren.

De in Oost-Jeruzalem verschijnende krant Al-Sha'ab voorspelde op 20 augustus de komst van “een nieuw tijdperk” dat een eind zou maken aan de dictaten van Amerika en Europa. De Arabisch-nationalistische krant Al-Rai in Jordanië hoopte op de terugkeer van de Sovjet-Unie naar “haar ware vrienden, de honderden miljoenen die voor hun vrijheid tegen het Amerikaanse imperialisme strijden”. En de Jordaanse minister van voorlichting deelde mee dat de Moskouse staatsgreep de toestand zou corrigeren “die één mogendheid in staat stelde om haar hegemonie op te leggen”. Toen de coup mislukt was, beseften zelfs de machthebbers in de Arabische wereld die tot dan de Amerikanen vervloekt hadden, dat zij met diezelfde Amerikanen mee moesten spelen.

Heerser van de wereld

De oorlogsmoeheid en het besef dat George Bush heerser van de wereld is geworden, hebben niet geleid tot een actieve verzoeningsbereidheid. Ze hebben hoogstens geleid tot de passieve erkenning dat er vredesonderhandelingen moeten worden gevoerd, als Bush dat zo graag wil, omdat de machtsverhoudingen in het Midden-Oosten voorlopig niet zullen verschuiven en Amerika daar nu de dienst uitmaakt.

Hanan Ashrawi, die namens Arafat de afgelopen maanden met de Amerikaanse minister van buitenlandse zaken Baker over de aanstaande vredesconferentie onderhandelde, verwoordde die gevoelens onnavolgbaar. Op de vraag of de Palestijnen nu capituleren, zei zij: “De luxe tijd van ideologische argumenten is voorbij. Er is een volk dat onder bezetting leeft. Het is heel gemakkelijk om tegen alles nee te zeggen en het is heel moeilijk om met de krachten mee te gaan die je lot bepalen.”

Toch heeft de Arabische wereld dat in verbijsterend snel tempo gedaan. Zij kon dat doen omdat men aan Arabische zijde met een maximum van Amerikaanse druk op Israel en met een minimum aan contact met Israel twee doelen denkt te bereiken: Israels vertrek uit alle bezette gebieden plus een goede relatie met de VS. Anders gezegd: de Arabische deelnemers willen zoveel mogelijk land tegen zo min mogelijk vrede en verzoening.

Yitzhak Shamir streeft precies de omgekeerde doelen na: met behoud van een goede verstandhouding met de VS wil hij zo min mogelijk gebied afstaan en zoveel mogelijk vrede en verzoening krijgen.

De Arabische deelnemers aan de conferentie verwachten deze politieke strijd te winnen. Zij geloven namelijk dat men thans in Washington voor het eerst sinds de Tweede wereldoorlog inderdaad bereid is actief naar vrede in het Midden-Oosten te streven omdat er in dat gebied geen concurrentie meer van buitenaf bestaat. De Amerikanen zouden dus geen belang meer hebben bij door hen gecontroleerde spanningen in het Midden-Oosten. Als gevolg zou het Amerikaanse automatisme wegvallen om Israel te steunen en te ontzien.

Ook in Israel breekt geleidelijk het besef door dat Amerika niet langer de vanzelfsprekende beschermer is van vroeger. Nu al schrijven de kranten dat de politieke situatie gelijkenis vertoont met de situatie tijdens het Britse mandaatsbestuur over Palestina. In twintig jaar tijd wijzigde de Britse politiek dramatisch. Aanvankelijk begunstigde zij de zionisten, later hield zij steeds meer rekening met de Arabische gevoeligheden. En ten slotte werd Groot-Britannië na de Tweede Wereldoorlog een directe partner van de Arabieren in hun strijd tegen de zionisten.

Shamir, die deze koerswijziging persoonlijk heeft meegemaakt, gaat dan ook niet uit overtuiging maar uit zelfbescherming naar de vredesconferentie. Hij weet dat de Amerikaanse publieke opinie sinds Israels invasie in Libanon geleidelijk is verschoven. Die aanvankelijk onzichtbare verschuiving werd aanzienlijk versterkt door het neerslaan van de intifadah en - nòg meer - door het einde van de Koude Oorlog. Shamir weet ook dat hij in de toekomst de Amerikaanse publieke opinie hard nodig heeft om de te verwachten pressie van Bush te weerstaan. Daarom moet hij de vredespogingen van Bush thans zo positief mogelijk benaderen.

Verliezers

De bijeenkomst in Madrid brengt partijen bij elkaar die decennia lang een oorlog op leven en dood met elkaar voerden en die thans meer belang stellen in nauwe banden met Amerika dan in betere betrekkingen met elkaar. Het einde van de Koude Oorlog - dat op zijn beurt de Westerse afrekening mogelijk maakte met een te agressief en te gevaarlijk geworden Saddam Hussein - bracht hen allemaal in de positie van verliezers.

Door het einde van de Amerikaans-Russische machtsstrijd verloren Syrië en de PLO hun Sovjet-beschermheer, verloor Israel zijn belang als strategisch bolwerk tegen de Sovjets, en verloor koning Hussein van Jordanië, na zijn steun aan Saddam Hussein tijdens de Golfoorlog, zijn geloofwaardigheid als betrouwbare pro-Westerse partner.

De PLO werd de grootste verliezer omdat zij niet langer automatisch op de steun van de belangrijkste Arabische mogendheden kan rekenen. Syrië, Egypte, Jordanië, Libanon en de Golfstaten hebben alle hun eigen redenen om de PLO ten diepste te wantrouwen. Vandaar dat de PLO was gedwongen om zich plooibaarder dan ooit tevoren op te stellen. Yasser Arafat bleek zelfs bereid om zich tijdens de vredesconferentie formeel onzichtbaar te maken.

Dat gegeven veranderde niet door Arafats herhaalde mededelingen aan Westerse journalisten dat de Palestijnse onderhandelaars in de bezette gebieden in direct telefonisch- en fax-contact met hem staan. Het veranderde evenmin door de verklaringen van enkele Palestijnse onderhandelaars in de gemengde Jordaans-Palestijnse delegatie dat zij wel degelijk namens de PLO spreken en door de PLO werden benoemd. Shamir besloot om zich voor al die bekendmakingen Oostindisch doof te houden.

Want de formele, maar in werkelijkheid niet-bestaande afwezigheid van de PLO bij de vredesconferentie heeft wel degelijk belangrijke gevolgen. Zij betekent impliciet dat de overige deelnemers de stichting van een onafhankelijke Palestijnse staat naar een verre toekomst schuiven. Het is geen toeval dat geen enkele Arabische staat de laatste tijd de vorming van een onafhankelijke Palestijnse staat heeft geëist.

Geen psychodrama

Maar zullen de onderhandelingen daardoor resultaten opleveren in de richting van vrede? Eigenlijk koestert niemand daarover grote verwachtingen. Het staat nu al vast dat de eerste ronde van de bilaterale besprekingen tot een gigantische impasse zal leiden - er is niet eens een agenda - en dat alleen George Bush daar mogelijk een eind aan kan maken. Maar of hij dat echt kan en zal doen, is onzeker. Want tot dusverre houden de Amerikanen het erop dat de vredesbesprekingen een soort psychiatrische bijeenkomst zijn, waar de partijen aan elkaars verwensingen moeten wennen om vervolgens tot een heilzame en vooral “constructieve dialoog” over te gaan.

Maar de twee sterkste partijen - Syrië en Israel - zijn er helemaal niet van overtuigd dat vrede nú al noodzakelijk voor hen is, dat zij bij vrede erg veel zullen winnen. Want zij worden niet door de vernietigende ervaringen van een oorlog naar vrede gedreven, die per definitie concessies inhoudt, maar door puur politiek-economische calculaties.

Toen president Sadat in november 1977 naar Jeruzalem kwam, had premier Begin hem al twee maanden tevoren in het diepste geheim via minister Dayan toegezegd dat een Egyptisch vredesinitiatief door Israel ruimschoots zou worden beloond. Sadat, die altijd al bereid was grote risico's te nemen, nam de uitdaging aan. Zijn bezoek aan Jeruzalem en zijn voortdurend herhaalde belofte “dat er nooit meer oorlog zou zijn” werden in Israel gezien als een sprookje dat waar was geworden. Golda Meir sprak zelfs van een happy end van een film die nog moest beginnen.

Niets van dat psychodrama van toen speelt nu in Madrid. De problemen zijn ook oneindig veel moeilijker omdat de belangen zoveel groter zijn. De Sinaï was voor Israel, militair gezien, geen zaak van leven en dood. En Egypte, dat van de oorlog met Israel afwilde, kon zich permitteren vrede te sluiten omdat het, ondanks zijn armoede, het grootste en het machtigste Arabische land was en is.

Die vrede werd ook niet door Amerika opgelegd, maar door de twee partijen op eigen initiatief voorbereid - aanvankelijk zelfs buiten medeweten van de Amerikanen. Van een dergelijk onderonsje is thans geen sprake. Het tegendeelis eerder waar: de partijen proberen op alle mogelijke manieren punten te scoren, nog voor men in Madrid bijeenkomt.

Er is slechts één punt van overeenstemming tussen de vijanden van vandaag: dat hun onderhandelingen langdurig, moeizaam en uitputtend zullen zijn. Zij beseffen dat zij niet volgende week, volgende maand of volgend jaar verzoend zullen zijn. Waarschijnlijker is dat zij nooit èchte vrienden zullen worden.

Oproep aan de gekken

“Israel heeft zelfs geen recht op één enkele druppel water in de regio”, zei een paar weken geleden de Syrische vice-president Abdel Halim Khaddam. Hij legde uit waarom Israel niet mocht meedoen aan een reeds geplande internationale conferentie over de waterproblemen in het Midden-Oosten.

Die uitspraak staat dichter bij de traditionele vijandschap dan bij een nieuwe bereidheid om, terwille van de vrede, zaken te doen. Het is geen toeval dat president Assad zich de afgelopen maanden heeft uitgerust met de allermodernste wapens, betaald met geld van de Golfstaten, als dank voor de Syrische militaire steun in de Golfoorlog. De Syrische leider toont in de rechterhand een vredesduif en verbergt in de linkerhand een keur van terroristische organisaties, die zich op de felst mogelijke wijze tegen een mogelijke vrede en “de uitverkoop van Palestina” keren. Eén van die terroristische clubs is Hezbollah, een radicaal-shi'itische groepering in Libanon die op afstand door Iran wordt (be)geleid.

Dagelijks valt De Stem der Onderdrukten, de radiozender van Hezbollah, de Arabische meegaandheid aan, waardoor president Bush en zijn minister Baker in staat worden gesteld een toekomst in het Midden-Oosten te beramen “waarin Israel niet langer een vreemd lichaam voor ons zal zijn, een kankergezwel in onze Natie, of een culturele uitdaging die op alle gebieden de ondergang aankondigt van onze cultuur en onze beschaving”.

“Tot voor kort”, aldus het radiostation twee weken geleden, “dachten wij dat de Arabisch-Hebreeuwse verzoeningsconferentie alleen propaganda was voor lokale consumptie en dat die onvermijdelijk op het laatste ogenblik in elkaar zou storten (...) We rekenden erop dat Baker zou sterven, dat Bush zijn mening over de joden zou herzien, of we rekenden op één van die onverwachte acties die zij als het werk van gekken betitelen. Maar al die kansen zijn als oktoberbladeren gevallen (..)”

In naam van de rechtvaardigheid vroeg De Stem der Onderdrukten hen “die Gods gekken werden genoemd” om in actie te komen. “De Natie heeft een nieuwe autobus nodig, die door een Palestijnse moslim over een steile rotswand wordt gestuurd. Meer dan ooit heeft de Natie nu nieuwe gekken nodig (..)”

Niet alleen Hezbollah is met dreigementen begonnen, ook de Palestijnse radicaal-islamitische groepering Hamas heeft laten weten dat zij tot verregaande acties bereid is. Vorig jaar gaf Hamas, die in de Gazastrook circa 30 procent van de bevolking vertegenwoordigt en ook op de Westelijke Jordaanoever snel groeit, een Handvest uit: “Onze strijd met de joden is een oorlog tussen de waarheid en de ware leer, tussen islam en jodendom.” Volgens dit Handvest “is Palestina geheiligd, ondeelbaar, Arabisch eigendom (waqf) en is het opgeven van enig stuk Palestina identiek met het opgeven van het geloof (waarop de doodstraf staat)”. “Wanneer hebben de ongelovigen tegen de gelovige zonen ooit rechtvaardigheid betracht”, vroeg een Hamas-pamflet een aantal maanden geleden. “De enige oplossing is de Jihad, de Heilige Oorlog. Alle initiatieven, voorstellen en conferenties zijn tijdverlies.”

Andere realiteiten?

Het zijn geen opwekkende geluiden. Maar vaak zijn de realiteiten in het Midden-Oosten anders dan zij zich voordoen. Het is waar dat de afwijzing van alle anderen en van alles dat anders is, de afgelopen decennia een automatische en dodelijke reflex is geworden. Het is echter ook waar dat al die zo principieel ogende lieden tot de hoogste vorm van pragmatisme bereid zijn als zij daartoe gedwongen worden of als zij daarin hun voordeel zien.

In 1974 probeerde Henry Kissinger, de Amerikaanse minister van buitenlandse zaken, een wapenstilstand te bewerkstelligen tussen de Syrische en de Israelische troepen. Pendelend tussen Damascus en Jeruzalem, berichtte hij op een dag dat president Assad tot een troepenscheidingsovereenkomst in de Golan bereid was, de eerste voorwaarde voor een staakt-het-vuren. Assad eiste wèl dat Israel zijn troepen ten zuiden van Haifa zou terugtrekken. Met andere woorden: heel Noord-Israel moest gedemilitariseerd worden, onbeschermd tegen een nieuwe Syrische aanval.

De Israelische ministers reageerden furieus. “Dat is dan het het einde van de onderhandelingen”, concludeerde de minister van buitenlandse zaken Abba Eban. “Geen sprake van”, antwoordde Kissinger. “Het is een zeer bemoedigend antwoord. Assad wilde duidelijk maken dat hij graag tot onderhandelingen bereid is.”

Zoals de zaken er nu uitzien, zijn de aanwezigen in Madrid bereid deze buitengewoon moeizame onderhandelingstechniek te volgen. Gezien de voorkeur van de geachte partijen in de afgelopen decennia om elkaar liever te negeren of uit te moorden dan met elkaar te praten, is dat al erg veel.