Strookt Fuchs' royale beleidsruimte met het zorgvuldigheidsbeginsel?

Iedere gemeente regelt zijn eigen “huishouding”, zegt de wet. Waarom zou Den Haag dan niet kunnen overgaan tot afstoting van pakweg veertig procent van de uitgedijde collectie van het Gemeentemuseum plus enkele geselecteerde topstukken? Een groep vooraanstaande personen uit de kunstwereld protesteert dat dit een ongekende aanslag vormt op het openbaar kunstbezit. In een verzoekschrift aan de Kroon vragen zij het desbetreffende raadsbesluit te schorsen en vervolgens te vernietigen. Dit vernietigingsrecht van de regering dient van oudsher het “behoorlijk tuteel”, zoals dat heet - eigen huishouding of niet.

Als de gevraagde schorsing wordt verleend geldt deze hoogstens voor een jaar; hij blokkeert dan wel de uitvoering van het bestreden raadsbesluit. Als er na dat jaar niet is beslist kan hetzelfde besluit niet nog eens worden geschorst, al blijft directe vernietiging dan vaak wel mogelijk. De klagers doen een beroep op een variant die het “spontane vernietigingsrecht” wordt genoemd omdat het hier niet een gemeentelijk besluit betreft dat is onderworpen aan toezicht door een hogere bestuurslaag (zoals het aangaan van een lening); het Rijk moet zelf in actie komen. Het uitlokken van dergelijke actie door een of meer burgers is een typerende toepassing van het grondwettelijke recht van petitie. De klassieke maatstaf voor vernietiging is “strijd met de wet of strijd met het algemeen belang”.

Het koninklijk vernietigingsrecht is van origine bedoeld als een uitzonderlijke ingreep. Het aantal vernietigde raadsbesluiten bleef in de tweede helft van de vorige eeuw beperkt tot een handjevol per jaar. Bovendien lag strijd met de wet er doorgaans duimendik bovenop. Een wet op museumbezit om het Haagse plan aan te toetsen is er niet, al wordt verkoop van (particulier) kunstbezit naar het buitenland beperkt door de Wet behoud cultuurbezit(1985). Inmiddels is het beeld van het vernietigingsrecht echter ingrijpend veranderd. Het werd - in de woorden van het leerboek Gemeente en Gemeentewet van de Rotterdamse hoogleraar staatsrecht mr.W.G. Verkruisen en mr.B.C. Vis - “van uitzonderingsrecht tot gangbaar recht”. Dat kwam vooral doordat het algemeen belang als vernietigingsgrond aan populariteit won. De reikwijdte daarvan omvat zeker ook cultuurhistorische overwegingen. Zo werd een wijziging in de bestrating en beplanting van de Markt te Veere om verkeerstechnische redenen in 1960 door de Kroon verboden vanuit een oogpunt van stedeschoon. In de vorige eeuw maakte de Kroon trouwens al korte metten met gemeentelijke besluiten historische zilveren bekers te verkopen.

Het probleem is alleen dat de gebruikelijke overzichten alleen de vernietigde raadsbesluiten noemen en niet de gevallen waarin de gemeente zijn gang kon gaan. Neem het beroep dat de klagers doen op de - erkende - vernietigingsgrond “strijd met eigen verordening”. In het geval van de gemeentelijke kunstcollecties van Den Haag is stelregel “de zorg voor de instandhouding van de bestaande verzamelingen” met een speciaal accent op “uitbreiding of aanvulling”. Dus niet afstoting, zou men zeggen. Ook de gedragsregels van het International Council of Museums, die in Nederland zijn overgenomen, leggen de nadruk op behoud van cultuurbezit. De Haagse verordening spreekt echter ook van “maatregelen om de verzamelingen op de meest doelmatige wijze aan hun bestemming te doen beantwoorden”.

Dit laatste is nu net het kardinale punt van de beleidsnota van het Haagse Gemeentemuseum uit mei van dit jaar, die ten grondslag ligt aan het bestreden raadsbesluit. De overwegingen voor vervreemding, zoals dat in het recht heet, als een nieuw en strategisch instrument van collectiebeheer vallen in twee categorieën uiteen:

Het bewaren van een grote hoeveelheid doorsnee-objecten kost te veel geld en energie. Er kan te weinig van het eigen bezit worden getoond. De slijtage van voorwerpen in de opslag is groot. Er zijn te veel objecten die elders beter op hun plaats zouden zijn.

De gemeente Den Haag is bijna bankroet, en dat niet alleen vanwege het nieuwe stadhuis. Daardoor is er op de afzienbare termijn geen zicht op uitbreiding van het aankoopbudget, dat duidelijk achterblijft bij dat van vergelijkbare musea als Boymans-Van Beuningen in Rotterdam en het Stedelijk Museum in Amsterdam. De - uitdrukkelijk als “incidenteel” bestempelde - verkoop van enkele topstukken kan zorgen voor broodnodige fondsvorming om de collectie op peil te houden.

Een belangrijk bezwaar tegen deze benadering is dat hij zo direct uitgaat van het kostenplaatje, zoals dat tegenwoordig heet. Reeds voor de oorlog (ook niet een gemakkelijke tijd) werd dit argument rechtens gerelativeerd toen de Kroon de gemeente Cuyk verbood de gemeentetoren af te breken, ook al betoogde de gemeente dat de onderhoudskosten te hoog waren terwijl de afbraak in die jaren - de crisistijd - een mooi werkverschaffingsproject vormde.

Thans wordt “de groei van de collecties” ook van rijkswege erkend als een belangrijke “schaduwkant”. “Selectie is noodzakelijk”, heet het in de WVC-nota Kiezen voor kwaliteit van december 1990 - een ook door de gemeente Den Haag erkend ijkpunt voor haar plannen. “Verzamelen is geen doel op zich”. Tegelijk stelde de minister vast dat een “collectie zoals die in de loop der jaren is gegroeid en bewaard het belangrijkste gegeven van het museum is”.

Dat laatste veronderstelt respect voor de wisselende opvattingen door de tijden heen - óók een cultuurhistorische waarde. Afstoting van objecten is daarmee niet uitgesloten. Verschillende museumdirecteuren doen dat ook. Zo vertelde een van hen onlangs dat hij een van de vele zilveren bekers uit zijn collectie, die hij toch niet allemaal kan exposeren, had verkocht bij een gerenommeerd veilinghuis om met de opbrengst een ontbrekend stuk aan te kopen. Niemand die daarover een probleem maakte. Maar hij was de eerste om daarbij te zeggen “dat je daarmee zeer voorzichtig moet zijn”.

Een dergelijke waarschuwing valt al te vinden in het baanbrekende boekje Doolhof of museum van Cor Blok uit 1965. “De leider van een museum is praktisch een particulier verzamelaar”, zei hij alsof hij de stijl van Fuchs voorzag, maar het grote gevaar is dat van “vooringenomenheid: voor of tegen een figuur, een richting, een theorie”. Wat dit betreft geeft het nieuwe flamboyante beleid van de Haagse directeur aanleiding tot ernstige reserves, die zich ook juridisch laten vertalen:

“Collectieverkeer” vormt volgens de WVC-nota een belangrijke richtlijn voor het opschonen. Daarbij wordt primair gedacht aan het uitwisselen (bruikleen, ruil) van stukken binnnen het Nederlands openbaar kunstbezit. Den Haag spreekt slechts een zekere voorkeur uit voor deze methode. Dat kan ook moeilijk anders bij een operatie van deze omvang.

Voor stukken beneden de grens van een getaxeerde waarde van een kwart miljoen gulden dan wel een belangrijke kunstzinnige of historische betekenis, geldt slechts een “lichte” procedure bij vervreemding. Uitdrukkelijke voorbehouden die bijvoorbeeld vanwege een legaat op een kunstvoorwerp rusten zullen worden bekeken en bij het wegschenken van stukken ligt de grens op 75.000 gulden. Toch blijft juridisch gezien de vraag of een zo royale beleidsruimte nog wel in overeenstemming is met het zorgvuldigheidsbeginsel.

Op voorhand is een wel zeer royaal opruimingsquotum vastgesteld: 70.000 van de 150.000 stukken in de collectie. Daarmee staat de uitkomst van de afweging al vast terwijl rechtens het doel nu net niet de middelen heiligt. Fuchs gaf zelf al aan waar de schoen wringt toen hij in deze krant zei dat er een wet nodig is om verkoop van museaal bezit werkelijk controleerbaar te maken.

Incidentele verkoop van topstukken vormt een probleem apart. Naar het buitenland kunnen ze al niet gauw als het Haags Gemeentemuseum recht wil doen aan de Wet behoud cultuurbezit. Deze is formeel niet van toepassing op collecties van de overheid, maar vormt inhoudelijk een gerede vernietigingsgrond voor de Kroon als het om buitenlandse verkoop van Picasso's gaat (pikant detail: bij vernietiging hoeft er niet te worden betaald door de overheid, zoals wel is voorgeschreven bij een exportverbod krachtens de wet). Binnen de openbare collecties van Nederland - maatstaf van WVC - is de prijs al gauw een obstakel. Verkoop aan particulieren in Nederland is moeilijk te verdedigen nu Picasso in het openbaar kunstbezit schaars vertegenwoordigd heet te zijn.

De aanwezigheid van een collectieplan voor het Haagse museum vormt naar het zich laat aanzien een belangrijk element in de nu ontbrande rechtsstrijd. De gemeente legt er de nadruk op dat iedere vervreemding daarin moet passen. Het hebben van een duidelijke beleidslijn is rechtens ongetwijfeld een pré. Maar op de keper beschouwd laat dit geheel open dat vervreemding in een omvang zoals nu wordt voorgenomen op zichzelf buiten verhouding en arbitrair is.

    • F. Kuitenbrouwer